Ze floten elkaars opera-diva’s uit

Olaf Tempelman en Marc van Duyvendijk reisden de Zwarte Zee rond. Ze troffen er een soms onwerkelijk aandoende wereld aan.

Odessa, Oekraïne Foto Marco van Duyvendijk uit besproken boek

Het drama zit soms al verborgen in een verloren fotoalbum. Zoals bij de Georgische familie Chelidze, die tijdens de burgeroorlog van 1992-’93 uit de Abchazische stad Soechoemi werd verdreven in de grootste etnische zuivering van de afgelopen zestig jaar. Grootmoeder Chelidze had maar een paar minuten om haar spullen te pakken. Inderhaast vergat ze haar fotoalbum, dat door de nieuwe bewoners werd vernietigd. Tegen Volkskrant-journalist Olaf Tempelman zegt ze jaren later: ‘Ik ben nu oud en heb geen foto van mezelf toen ik jong was, alsof ik altijd oud ben geweest.’

Van zulke aangrijpende uitspraken wemelt het in Omweg naar Istanbul. De kusten van de Zwarte Zee, Tempelmans verslag van een reis die hij samen met fotograaf Marco van Duyvendijk in vijf zomerse etappes aflegde in dat door oorlogen, nationalisme en religieuze twisten geteisterde gebied. Die samenwerking heeft een boeiend boek opgeleverd.

Hun reis begint in Istanbul. Bij de Aya Sofia schetst Tempelman het multiculturele karakter van die stad door de eeuwen heen. Het Griekse en Romeinse verleden, het vroege christendom en tot slot de islam die met zijn fraaie kalligrafieën het christelijk erfgoed heeft uitgewist, zoals dat wordt verbeeld in de fresco’s in de koepel van die kerk.

Daarna neemt hij je mee naar het Bulgaarse Varna, waar op zijn beurt de islam is verdreven. Wanneer Tempelman in een klooster wordt ondervraagd over het wangedrag van kruisvaarders uit de Lage Landen in 1204, zet hij het wezen van de orthodoxe kerk treffend neer met het zinnetje: ‘De orthodoxie doet niet aan vergeten.’ En waar hij beschrijft hoe Franse en Britse soldaten tijdens de Krimoorlog zuipend en hoerenlopend Varna onveilig maakten, voel je plaatsvervangende schaamte opkomen, zo treffend zijn de details die hij opdist.

Ontroerend om te lezen is de geschiedenis van de ongelukkige Roemeense koningin Maria, die haar liefde niet bij haar onbenullige man kwijt kon, maar wel bij de inwoners van de armoedige kustplaats Balcic. Het hoofdstuk leest als iets waarvan je bijna niet gelooft dat het waargebeurd is.

Eenmaal in Odessa, bij uitstek een stad van verbeelding en humor, laat Tempelman eerst de hedendaagse werkelijkheid zien door iemand te laten zeggen dat mensen hier weten hoe ze moeten leven. Meteen daarna meldt hij dat deze stad het grootste aantal hiv-besmettingen en de meeste gescheiden mannen en vrouwen van de hele voormalige Sovjet-Unie telt. Met die relativerende feiten springt hij vervolgens in het diepe bad van het verleden.

Zo vertelt hij dat de negentiende-eeuwse pogroms in die door Joden gedomineerde stad niet georganiseerd werden door steuntroepen van de tsaar, maar vooral door Griekse zeelieden die de pest in hadden dat de Joden de handel in de haven geleidelijk aan het overnemen waren. ‘De Joden en Grieken vochten om alles’, laat Tempelman de directeur van het plaatselijke Joods Historisch Museum zeggen. ‘Ze hadden hun eigen steractrices en zangeressen. Ze gingen naar de opera en floten daar de diva’s van de ander uit.’

Zulke theatrale uitspraken doen je smullen. Maar als je even later leest hoe diezelfde Joden een halve eeuw later op de strandboulevard door de nazi’s werden geëxecuteerd en er nog altijd geen monument voor hen is opgericht, wordt het je droef te moede en besef je dat het Zwarte-Zeegebied als het om herdenken gaat nog een lange weg voor de boeg heeft. Als je dan ook nog leest hoe in 1949 tienduizenden Grieken uit Georgië werden gedeporteerd in een gril van Stalin, wil je het liefst meteen op de trein springen om Tempelman na te reizen en te zien of de geschiedenis er werkelijk zo tekeer is gegaan als hij je op indringende en beeldende wijze heeft laten zien.