Woede om moord op criticus in Tunesië

Tunesië is in rep en roer door alweer een moord op een seculiere politicus. Moslimextremisten zouden erachter zitten.

Protesten gisteravond in Tunis tegen de moord op de seculiere oppositiepoliticus Mohammed Brahmi. Foto Reuters

Tunesië is in rep en roer over de tweede moord op een seculiere oppositiepoliticus binnen een half jaar. Medestanders van het nieuwste slachtoffer, Mohammed Brahmi, wezen meteen beschuldigend naar moslimextremisten, die zij eveneens verantwoordelijk stellen voor de moord op zijn collega Chokri Belaïd in februari. „Genoeg! Genoeg! We kunnen niet meer leven met de baarden”, riep de zuster van Brahmi. Zij verwoordde de stemming van talloze seculiere Tunesiërs die samen met een meer democratisch systeem na de val van sterke man Zine al-Abidine Ben Ali fundamentalisten en nog conservatievere salafisten hebben zien opkomen.

De woede richt zich tegen de regerende fundamentalistische Ennahdapartij, die ervan wordt beschuldigd de ogen te sluiten voor het geweld van de zijde van de salafisten. De opdrachtgevers van de moord op Belaïd zijn ook nooit gepakt. In Le Monde zei de seculiere president Moncef Marzouki dat „wij al een idee hebben” over de moordenaars van Belaïd. Hij zei ook dat de moordenaars van Brahmi uit dezelfde hoek komen. „Ze willen Tunesië destabiliseren” en „aantonen dat de Arabische Lente nu overal is vastgelopen”.

Sinds de legercoup in Egypte, drie weken geleden, is Tunesië het enige land waar de ‘Arabische lente’ nog een min of meer democratisch pad volgt. Maar op een moment van grote economische problemen en tweespalt tussen seculiere en fundamentalistische partijen over de ontwerpgrondwet vormt de tweede moord op een seculiere politicus een gevaarlijke bedreiging voor de stabiliteit.

Net als Belaïd werd Brahmi doodgeschoten voor zijn woning in de hoofdstad Tunis.

In Sidi Bouzid, waar in december 2010 de Arabische opstanden begonnen, gingen duizenden mensen de straat op om te protesteren. Zij staken een gebouw van de Ennahdapartij in brand. Brahmi kwam uit Sidi Bouzid en werd hier als parlementslid gekozen in de eerste vrije verkiezingen na de afzetting van Ben Ali in 2011. In Tunis demonstreerden ook duizenden mensen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het algemeen vakverbond heeft een algemene staking afgekondigd.

Brahmi (58)was lid van de grondwetgevende vergadering, die de laatste hand probeert te leggen aan de grondwet. Hij was juist opgestapt als secretaris-generaal van de links-nationalistische Volksbeweging, die hij zelf had opgericht, omdat deze door moslimfundamentalisten zou zijn geïnfiltreerd. Net als Belaïd maakte hij deel uit van het Volksfront, een alliantie van linkse partijen.

De „laffe en verachtelijke misdaad” werd veroordeeld door de Ennahdapartij. Zij riep de regering (die zij zelf domineert) op de daders onverwijld te arresteren evenals „degenen achter hen die de stabiliteit van het land bedreigen”. Maar partijleider Rachid Ghannouch maakte de indruk de moord te bagatelliseren „Politieke moorden gebeuren in de meest democratische plaatsen in de wereld, zelfs in de VS.”

Anders dan in Egypte hebben in Tunesië salafisten niet de politieke weg gekozen maar gaan zij hun tegenstanders, onder wie kunstenaars, journalisten en politici, fysiek te lijf. De regering veroordeelt hun geweld met de mond maar laat hen feitelijk ongemoeid. Ennahda heeft voor een fundamentalistische partij een relatief liberaal programma – ze vecht niet voor een verwijzing naar de shari’a in de grondwet – maar ze wil ook de salafistische stem veilig stellen. Seculiere groepen zeiden destijds dat deze houding de moord op Belaïd had uitgelokt. Brahmi, zoals voor hem Belaïd, was om deze reden een scherpe criticus van de regering.