Wachten tot het verhevene toeslaat

Componist Rijndert van Woudenberg (46) heeft eenzaam werk. Hij zou niets anders willen. Hij weet zelf niet waar hij z’n muziek vandaan haalt. „Ik krijg er Godsbesef van.”

Verslaggever

Twee keer moet Rijndert van Woudenberg zich even herpakken. Slaat zijn stem een beetje over, lopen zijn ogen vol. „Sorry”, zegt hij dan, en hij schraapt zijn keel, „dat gebeurt als ik hierover praat”. Muziek, bedoelt hij, als hij het over zijn muziek heeft. Dan kan hij overweldigd raken, vervuld van een gevoel dat hij maar op één manier weet te omschrijven: complete, zuivere euforie. Helpen kan hij het niet. Hij steekt gauw een sigaret op. Nee, niets kan hem zo emotioneren als klassieke muziek. „Dat stroomt soms over.”

Van Woudenberg (46) is componist. Deze donderdag ging zijn jongste stuk, Desiderata, in première. Een avondconcert, aan het IJ in Amsterdam. Hij heeft er een beroemd ensemble uit Japan voor laten overkomen: Nomad, onder leiding van de gitaargrootmeester Norio Sato. Tot 2018 is Van Woudenberg hun huiscomponist. Twintig minuten duurt het stuk, zo voorbij. Maar Desiderata is de vrucht van lange, intensieve arbeid. „Voor elke minuut muziek die je hoort, ben ik zo’n vijftig uur aan het schrijven.”

Het is eenzaam werk. Het liefst in het holst van de nacht, als de telefoon niet rinkelt en de stad slaapt. Dan zit hij te wachten boven zijn papier tot de muziek zijn hand leidt.

Leven van componeren alleen kan hij niet. Nog niet, tenminste. Van Woudenberg verkeert daarom in wat hij de „muzikale drie-eenheid” noemt: die van componeren, spelen en lesgeven. Hij woont waar hij werkt, in zijn muziekschool, gevestigd in een historische slagerij in Amsterdam-Oost. Daar geeft hij klassieke gitaarles. „Ik ben blij dat ik dat ook doe”, zegt hij. „Dat houdt me gegrond. Als ik alleen maar in mijn eentje aan het componeren zou zijn, zou ik een heel raar mannetje worden.” Toch staat de voldoening die hij daaruit haalt in geen verhouding tot het grootse geluk van het componeren. Niets in het leven, trouwens. Dit is wat Rijndert van Woudenberg weet van dat leven tot nu toe.

„Componeren is een oerdrift. Het is een innerlijke noodzaak, mijn doel in dit leven. Het klinkt misschien overdreven, maar ik denk echt dat dit de reden is dat ik besta. Dat weet ik sinds ik vijf jaar oud ben. Toen nam mijn moeder me mee naar Fantasia van Walt Disney, met muziek van Beethoven, Stravinski – ik dacht: wat is dat? Eenmaal thuis draaide ik die plaat non-stop, het werd een verslaving. Zozeer dat er naar verloop van tijd allemaal tikken op de plaat kwamen van de naald. Ik vroeg niet om een nieuwe, maar leerde alle passages uit mijn hoofd zodat ik ze altijd zou kunnen oproepen. Toen al dacht ik: dit wil ik ook kunnen maken.

„Het was bij ons thuis verplicht piano te spelen. Dat deed een keurig gezin nu eenmaal. Maar ik vond muziek maken daar eigenlijk te intiem voor, zo midden in de huiskamer. Ik wilde een instrument dat ik mijn hol in kon slepen. Op de muziekschool hoorde ik iemand klassiek gitaar spelen. Dat was het. Ik heb er een cassettebandje van opgenomen en voor mijn ouders afgespeeld: kijk, dit klinkt toch net als piano? Uiteindelijk mocht ik op gitaarles, eigenlijk een vulgair instrument natuurlijk. Door eindeloos midden in de nacht met die gitaar te prutsen, heb ik muziek leren schrijven.”

„Goede muziek is het residu van iets groters. Ik meen het, ik vind mezelf veel te dom om dit soort muziek zelf te verzinnen. Er is meer tussen hemel en aarde. Of je het nu God noemt of niet... Als ik componeer, ben ik in trance. Als ik na afloop bekijk wat ik heb opgeschreven, weet ik niet hoe ik eraan gekomen ben. Ik kan me het niet herinneren. Het is een ander bewustzijn dan dat je gebruikt als je je boodschappenlijstje maakt. Een soort droomstaat, ik vind het een mysterie. Er zit iets achter die muziek, het komt ergens anders vandaan. Dat geldt voor alle goede stukken: die zijn een gift aan de wereld. Dat ontroert me zo. Ik krijg er Godsbesef van: dit is niet alleen van mij.”

„Als je componeert, ben je knettergek. Het zijn manische periodes. Ik voel ze aankomen, alsof je gaat bevallen. Dan kan ik niet anders, dan móet het eruit. Dan kan mijn vriendin binnenlopen en iets tegen me zeggen, en dan staar ik haar wazig aan en mompel ik: nee, nee, dat moet naar de altviool. Elke prikkel is dan voor het stuk. De stoffelijke wereld verdwijnt voor een tijdje, al het andere krijgt een lagere prioriteit. Ga ik dag en nacht door. Mijn omgeving weet dat van me. Maar ze zijn wel opgelucht als het stuk af is; dan wordt het huis weer opgeruimd.

„In die periodes dat ik schrijf, ben ik extréém gelukkig. Eufoor. Ik heb periodes gehad dat het financieel wat minder ging, dat ik niet aan componeren toekwam – daar raakte ik depressief van. Letterlijk. Ik miste een element van geluk dat ik op geen mogelijke andere manier kan verkrijgen. Als ik niet componeer, word ik miserabel.”

„Een componist moet kunnen wachten. Dat heeft de grote Stravinski ook ooit eens gezegd, toen hem werd gevraagd wat hem nou tot zo’n geweldige componist maakt: ‘I can wait. Like an insect.’ En zo is het. Het is wachten tot het verhevene toeslaat.

„De stemming waarin ik verkeer, de manier waarop ik op dat moment in het leven sta, heeft dan ook geen enkele weerslag op hoe de muziek klinkt. Jaren geleden, en nu ga ik niet in detail, ging het niet zo goed met me. Ik ging zakelijk op mijn bek, beëindigde een relatie van achteneenhalf jaar... Ik was niet erg vrolijk, zacht gezegd. Maar toch: als ik dan ging zitten, kwam toch weer die complete gelukzaligheid. De misère verdween. Ik weet niet hoe het zit bij andere componisten, maar mijn persoonlijke leven weerklinkt niet in mijn muziek.”

„Muziek is vakmanschap. Je wordt steeds beter, maar je moet het wel leren. In klassieke muziek zijn er zo veel kleuren, talen die kunt leren spreken, bezettingen. Je moet alle instrumenten leren kennen: het moet ook lekker te spelen zijn voor de muzikanten. Ze moeten ook niet té hard werken.

„Een stuk helder op papier krijgen kan gekmakend zijn. Je wilt een rechte lijn tekenen, zoals je hoort in je hoofd, maar doe dat maar eens. In het begin zwalk je alle kanten op. Dat moet je leren.

„Mijn eerste gitaarleraar was een (ik kan niet anders zeggen) verschrikkelijke man. Hij sloeg in de les, ik was bang naar hem toe te gaan. Toen ging hij dood. Ik kreeg een leraar die mij snapte. Die begreep waarom ik niet mijn oefeningen had gedaan, maar bij de les aankwam met: ik heb dit en dit geschreven. Dat mijn talent niet zozeer in het reproduceren lag, maar in het creëren van muziek. Dat nam ik uiteindelijk mee naar het conservatorium.”

„Alléén op techniek kun je geen muziek schrijven. Dat heb ik heus weleens geprobeerd, gewoon puur op mijn vakmanschap een stuk componeren – met de hersenhelft van de boodschappenlijstjes. Dan zit het stuk ogenschijnlijk goed in elkaar, op papier is er geen speld tussen te krijgen – maar ik flikker het dadelijk weg. Waarom? Er zit geen ziel in.

Desiderata is mijn eerste echt sacrale werk. Dit had ik niet eerder kunnen schrijven. Het is bezield, vanuit iets groters, iets grootsers ingegeven. Dat is het prachtige van muziek: waarom doet de ene combinatie van noten niets met je en roept de andere een wereld van emotie op? Daar moet je op wachten. Kijk, nu schiet ik weer vol. Nog steeds dat jongetje dat naar Fantasia luisterde.”