Turkse media doen liever zaken dan berichtgeving

Turkse mediabazen gaan voor politici door het stof en laten verslaggevers hun zaken behartigen. De plaag van gekuiste berichten wordt erger, aldus Yavuz Baydar.

Illustratie Dario Castillejos

De betogingen die vorige maand Turkse steden op hun kop zetten, onthulden de schandalige rol van binnenlandse mediaconcerns. Toen de onrust op 31 mei een hoogtepunt bereikte hielden ogenschijnlijk professionele nieuwszenders zich stil. Bewoners rondom het Taksim-plein zagen de realiteit door het raam, terwijl media zwegen. Zij kozen ervoor om een documentaire over pinguïns uit te zenden. Op de zender Habertürk TV, nog geen 200 meter van het Gezipark, praatten drie medische deskundigen over schizofrenie – eigenlijk een treffende metafoor voor de stand van de Turkse journalistiek.

Dit soort praktijken zijn overigens al langer gaande. De grote nieuwskanalen achten het politiek verstandig de waarheid te verbloemen en alle ernstige problemen – met name het Koerdische conflict – dood te zwijgen. Na een bijeenkomst in oktober 2011 tussen premier Erdogan en eigenaren van media over de verslaggeving van ‘terreurnieuws’ waren de grote tv-zenders geïntimideerd en werden ze redactioneel uitzonderlijk voorzichtig. Toen twee maanden later in Uludere bij de grens met Irak 34 Koerdische dorpelingen door Turkse straaljagers werden gedood, blokkeerden deze zenders berichtgeving hierover.

De plaag van de gekuiste mediaberichtgeving reikt tot ver buiten Turkije. Overal op de wereld, en vooral in jonge of worstelende democratieën als Argentinië, Venezuela, Brazilië, de Filippijnen, Zuid-Afrika, Hongarije en Albanië, wordt door gebrek aan onafhankelijkheid van de media reële schade aangericht. Mediadirecteuren die verslaggevers intimideren of censureren terwijl ze ter bescherming van hun andere zakelijke belangen zelf voor regeringen door het stof gaan ondermijnen de vrijheid en onafhankelijkheid van de pers, die wezenlijk is voor de vestiging en het behoud van een democratische politieke cultuur.

Smerige allianties tussen overheden en mediabedrijven schaden de rol van de journalistiek als publieke waakhond. Mensen die baat hebben bij corrupte praktijken proberen systematisch serieuze onderzoeksjournalistiek te beletten. Het probleem is eigenlijk heel simpel: we hoeven alleen maar naar de geldstromen te kijken. De grote Turkse media zijn in handen van magnaten die actief zijn in andere belangrijke sectoren van de economie, zoals de telecommunicatie, het bankwezen en de bouw. Omdat maar enkele grote tv-zenders en kranten winst maken, houden de eigenaars ze meestal als lokkertje voor de overheid, die behoefte heeft aan inschikkelijke mediadirecteuren. Dat is een voedingsbodem voor wortel-en-stok-beleid. Hoe verder de eigenaars willen gaan, hoe meer hun hebzucht wordt vervuld. Verscheidene Turkse mediamagnaten hebben verregaande gunsten ontvangen door middel van contracten voor openbare werken, waaronder grote stedebouwkundige projecten in Istanbul.

Het is niet mogelijk in zo’n vervuild systeem serieuze journalistiek te bedrijven. Door belangenconflicten zijn redacties in Turkije veranderd in gevangenissen: berichtgeving over corruptie is in het huidige Turkije vrijwel afwezig. Een paar nietige, dappere, onafhankelijke kanalen brengen kritische verhalen, maar deze worden vrijwel nooit groot nieuws.

Terwijl de wereld zich richt op het vraagstuk van de journalisten die in Turkije gevangen zitten – bijna allemaal Koerden – is de doodsteek aan ons vak toegebracht door eigenaars die bewust de redactionele onafhankelijkheid vernietigen, onderzoeksjournalistiek blokkeren en journalisten ontslaan die kritiek uiten.

De snel groeiende Turkse economie heeft zoveel hebzucht opgewekt dat de media-eigenaars geregeld ingaan tegen het oordeel van vakbekwame journalisten die uit naam van het publiek hun werk proberen te doen. De redactionele inhoud wordt streng gecontroleerd door de mediabazen, die andere zakelijke belangen hebben en zich schikken naar de overheid. Meestal zonder enige rechtstreekse overheidsbemoeienis leggen ze zich dagelijks zelfcensuur op en snoeren collega’s de mond die de elementaire journalistieke ethiek verdedigen. Omdat in deze sector vakbonden nauwelijks aanwezig zijn, is vrijwel niemand zeker van zijn baan.

Het dagblad Milliyet, eens een paradepaardje van goede journalistiek, werd in 2012 overgenomen door de Demirören-groep, die onder andere actief is op het terrein van het vloeibare propaangas. In februari 2013 publiceerde Milliyet de notulen van besprekingen tussen Koerdische politici en de gevangen Koerdische rebellenleider Abdullah Öcalan. Twee dagen later verdedigde een oudgediende van Milliyet, de columnist Hasan Cemal, moedig de beslissing van de krant tot publicatie: ‘De één publiceert een krant’, verklaarde hij. ‘De ander regeert het land. Die twee moeten niet vermengd worden. Iedereen moet zich met zijn eigen zaken bemoeien.’ De primeur en de column wekten de woede van Erdogan, die de krant en de journalistiek in bredere zin publiekelijk veroordeelde. Cemal kreeg twee weken gedwongen verlof. Bij zijn terugkomst schreef hij een nieuw artikel over de persvrijheid en de onafhankelijkheid, dat door de eigenaar van de krant werd geweigerd, en Cemal nam ontslag. Bij NTV, een nieuwszender die vanwege zijn povere berichtgeving doelwit van betogers was, had het maandblad NTV Tarih, dat zich uitsluitend richt op de geschiedenis, in het julinummer een omslagverhaal over het verleden van Gezipark. Een dag voordat het blad ter perse ging vroeg de directie van het bedrijf inzage in de inhoud. De directie schrapte niet alleen het nummer, maar zette ook de gehele publicatie stop. De oplage van NTV Tarih was 35.000, commercieel een van de meest succesvolle tijdschriften in Turkije. De eigenaar van de zender NTV, de Dogus-groep, heeft toevallig onlangs de aanbesteding gewonnen voor de bouw van de grote Galataport – een contract ter waarde van ruim 700 miljoen dollar – waarmee een oude haven in het centrum van Istanbul in een modern brandpunt van toerisme, winkels en vastgoed zal veranderen.

Een ander conglomeraat, de Ciner-groep, eigenaar van mediakanalen als Habertürk TV, heeft een aantal contracten voor de distributie van energie verworven. Sindsdien is het redactionele beleid zichtbaar pro-regering. Niet verwonderlijk dat het hoofdkwartier van Habertürk nabij Gezipark doelwit van betogers werd. Zij waren boos omdat er tijdens de demonstraties een kruiperig interview met Erdogan uitgezonden werd.

De pathologisch slecht functionerende Turkse media zijn maar één voorbeeld van een veel breder verschijnsel. Een uitvoerige studie in opdracht van de Europese Unie, verricht door journalisten en onafhankelijke mediadeskundigen van het hele continent, stuitte overal in Zuidoost-Europa op vergelijkbare problemen.

‘Veel media-eigenaren en toonaangevende journalisten hebben gevestigde politieke en economische belangen en gebruiken hun positie om meedogenloze media-oorlogen tegen politieke tegenstanders te voeren’, aldus het rapport.

De enige manier om de schade te voorkomen die meegaande media de democratie berokkenen, is door met instemming van de kiezers de staatsomroepen zodanig te hervormen dat ze autonome of onafhankelijke publieke diensten worden en de wettelijke weg bereiden voor eerlijke concurrentie en diversiteit bij de particuliere media. In Groot-Brittannië, Duitsland, Zwitserland, Canada en Australië zijn zulke omroepen bij wet ingesteld en waarborgen ze het recht van het publiek op kennis zonder inmenging van commerciële belangen. In hun organisatiestructuur zijn verschillende segmenten van de samenleving vertegenwoordigd. Ze worden geleid door onafhankelijke vakmensen in plaats van partijgebonden bureaucraten. Een autonome publieke omroep die dient als brandpunt voor goede journalistiek, ver verwijderd van commerciële belangen en overheidsinvloed, zou het publieke debat in Turkije en andere jonge democratieën, zoals Zuid-Afrika en de Filippijnen, ten goede komen.

In democratische overgangsfasen hebben pluralisme en diversiteit niet veel te betekenen als ze alleen bestaan uit een wedloop tussen regeringsgezinde media en ultrapartijdige oppositiekanalen. Particuliere eigendom in de mediasector moet worden gestructureerd om het bestaan van een geloofwaardige, onafhankelijke, levendige en hoogwaardige vierde macht mogelijk te maken. Dat is de belangrijkste les van het spectaculaire verzuim van de Turkse media om verslag te doen van de betogingen in het Gezipark, en de agressie waarmee ze vervolgens tekeergingen tegen de internationale media die besloten te berichten over het Turkse straatprotest in Istanbul in plaats van over waggelende pinguïns op het ijs van Antarctica.

Hoe verder mediamagnaten verwikkeld raken in schimmige deals met overheden, hoe meer hun hebzucht elke fatsoenlijke journalistiek in de weg staat en journalisten het vermogen ontneemt om de overheid ter verantwoording te roepen. Corrupte media kunnen nooit op een geloofwaardige manier corruptie blootleggen.

De Turkse journalist Yavuz Baydar (1956) werd dinsdag ontslagen als ombudsman bij het dagblad Sabah, een regeringsgezinde krant die geleid wordt door de schoonzoon van premier Erdogan. Sabah viel Baydar publiekelijk af toen hij eind juni in een column de berichtgeving over de rellen op het Taksimplein hekelde. Dit artikel verscheen eerder in The New York Times.