Thuis is rust, op straat is het stront

Als ambtenaar in Amsterdam-Oost kwam politicologe Eva Klooster in contact met hangjongeren. Ze kreeg een zeldzaam inkijkje in een gesloten wereld.

Hangjongeren op het Amstelveld, Amsterdam-Centrum, februari 2007 Foto Herman Wouters/Hollandse Hoogte

De Amsterdamse Othman deed mee aan een ‘Italiaanse roof’: met z’n tweeën op een scooter naast een stilstaande automobilist gaan staan, ruitje intikken en dan een tas van de achterbank grissen. Hij kreeg er acht maanden cel voor.

Dit soort criminaliteit was een tijdje een rage onder hangjongeren zoals Othman. Over hem en andere hangjongeren gaat het boek van onderzoekster en politicologe Eva Klooster. Door haar werk raakte zij gefascineerd door jongens uit de Indische buurt in Amsterdam die misstappen begaan omdat ze te veel ellende om zich heen zien, zich suf blowen, te weinig begeleiding krijgen en geen toekomstperspectief hebben. Wie het nieuws volgt, kent de problematiek. Toch is er opvallend weinig over geschreven.

Coördinator Jeugdoverlast. Zo wordt Eva Klooster genoemd als ze in 2007 Othman (16) voor het eerst ontmoet. Ze werkt dan tijdelijk als ambtenaar voor het stadsdeel Amsterdam-Oost. Zo komt ze in aanraking met allerlei organisaties die zich bekommeren om de hangjongeren in de Indische buurt – nergens anders in Amsterdam wonen zoveel jonge verdachten als daar.

Klooster probeert eerst de afstandelijke, ambtelijke sfeer waarin ze werkt te beschrijven. Ze werkt in een ‘kantoortuin, waar tafels als eilandjes in een door neonverlichte ruimte staan.’ En tijdens een eerste, door haar georganiseerde vergadering over de hangjongeren zegt buurtregisseur Johan: ‘Als politie zitten we niet te wachten op een vergaderclubje hier, een vergaderclubje daar.’ Diender Johan is liever op straat. Dat geldt gelukkig ook voor Klooster, die zichzelf omschrijft als ‘een 40+ moeder-uit-de-binnenstad-verschijning’, met een ‘eropaf-mentaliteit’. Ze vraagt jongerenwerkers en agenten met haar op pad te gaan.

Klooster weet een gesprek aan te knopen met Othman. Zijn antwoorden zijn een afwisseling van ‘ja’, ‘nee’ en ‘ik weet niet’. Via zijn docent Youssef van het Altra college, voor jongeren met problemen, komt ze meer over hem te weten. Youssef vindt Othman anders dan de meeste jongens: Othman is een meeloper, geen harde jongen.

Klooster komt er achter waarom Othman zo wantrouwend is. Vanaf zijn veertiende is hij in hulptrajecten verzeild geraakt, opgelegd door de kinderrechter omdat hij strafbare feiten had gepleegd. Hulpverleners hebben zijn vertrouwen geschaad. Dingen die hij in vertrouwen had verteld, belandden bij de rechter. Maar Othman wil veranderen, hij wil werken. Toen hij vastzat heeft hij veel nagedacht: ‘Na een tijd krijg je spijt, je gaat denken, en je krijgt het echt heel zwaar. Ik wil nu een ander leven, ik wil het niet meer.’

Klooster wordt ook voorgesteld aan de jongerenwerker en orthodoxe moslim Radi. Van collega’s hoort ze dat Radi vrouwen geen handen geeft. Dat vindt ze vrouwonvriendelijk. Maar als ze hem eenmaal ontmoet, valt het haar alleszins mee.

Van veelpleger tot orthodoxe moslim, met iedereen is Klooster even begaan, en ze laat niet na uit te wijden over haar gedachten, die niet altijd tot grote inzichten leiden. Als haar korte periode als ambtenaar erop zit, blijft ze maar aan de jongens uit de Indische buurt denken. Omdat ze wil weten hoe het met ze gaat, keert ze in 2011 terug in de buurt. Ze vestigt zich – zonder vastomlijnd plan – in een kantoortje boven dat van jongerenwerker Radi.

Al snel hoort ze dat Othman de fout in blijft gaan. Hoe kan ze zijn gedrag ombuigen? Hoe kan hij zijn goede voornemens waarmaken? Waarom leert hij niet van zijn fouten? Ze spreekt met hem af, ziet hem op zeker moment tweewekelijks. En ze zet door. Zelfs als Othman wéér wordt opgepakt. Dit keer voor het smokkelen van drugs in een jeugdinrichting als hij een vriend bezoekt. Klooster noemt het een ‘meer-dan-domme fout’.

De ontmoetingen met de jongens die Klooster haast liefkozend hangjongeren noemt, zijn verreweg het interessants. Maar die beschrijvingen verliezen aan impact door Kloosters persoonlijke overdenkingen (‘wat zal hij van mijn 40+ verschijning vinden?’) en vallen weg tussen de logge, ambtelijke sfeertekeningen van het stadsdeel.

Klooster beschikt niet over de literaire middelen om haar materiaal naar boeiende non-fictie te tillen. Het zwaartepunt ligt te veel bij haar eigen reflecties. Had ze zich uitsluitend op de jongeren geconcentreerd, dan had Hangplek Holland beslist aan urgentie gewonnen. Een gemiste kans, want Klooster heeft een inkijkje in een wereld gekregen die de gemoederen in de samenleving bezighoudt.

Hangplek Holland is een boek met een boodschap. We moeten iets doen, dat zijn die jongens waard en daar worden we uiteindelijk allemaal beter van, vindt Klooster. Maar wat er ondernomen moet worden en waar het precies aan schort, weet Klooster ook niet. De subtitel van het boek, Waarom de hulp aan hangjongeren steeds mislukt, maakt ze dan ook niet waar.

Probleemjongere Badr weet wel wat oorzaak en oplossing is, vertelt hij Klooster een keer na een buurtklasje. ‘Ze zeggen vaak dat het komt door de slechte thuissituatie. Dat is niet waar. Het is rustig thuis en op straat is het stront.’ Wanneer kan begeleiding helpen? vraagt Klooster hem hoopvol. ‘Nooit’, antwoordt hij. ‘Jongens moeten het zelf doen, daar kan je ze niet bij helpen.’