‘Schrijven stelt het sterven uit’

Volgende week wordt Cees Nooteboom tachtig jaar. Aan erkenning en reislust geen gebrek. Brachten leven en werk datgene wat hij voor ogen had? ‘Poëzie is de essentie van alles.’

Cees Nooteboom bij de Basiliek van San Marco in Venetië : ‘Een droom? Een huis, mijn huis, met de Pléiade om me heen’ Foto Graziano Arici/eyevine/Hollandse Hoogte

chttien dagen brachten ze dit jaar door in hun huis in Amsterdam, een pand uit 1731. De rest van de tijd waren Cees Nooteboom en zijn vrouw, de fotografe Simone Sassen, op reis naar Venetië, Spanje en Zuid-Amerika.

Ze werkten in een huis in Zuid-Duitsland aan hun net verschenen boek over de Saigoku-pelgrimstocht in Japan, kruisten door Colombia, Argentinië, Uruguay, Chili en Mexico, vanwege de Spaanstalige uitgave van zijn Brieven aan Poseidon. Boekenbeurs in Bogotá, boekenbeurs in Buenos Aires, in Mexico zeventien interviews in twee dagen – alles in een moordend tempo. Daarnaast namen ze tijd voor zichzelf, bezochten het Chileense eiland Chiloé, en reden dagenlang door de Atacama-woestijn in het noorden van dat land.

Toch is er bij Nooteboom, die op 31 juli tachtig wordt, geen sprankje vermoeidheid te bekennen. Ja, goed, wat pijn in zijn rug. In de keuken wijst hij op een oude affiche. Slauerhoff met een koffertje waarop staat: ‘van geen nut’. En dan is er ‘de huisgod’, zegt Nooteboom: mooi gekalligrafeerde vellen aan de muur. Een bloemlezing klassieke Japanse poëzie? „Nee”, lacht hij, „de boekhouding van een kousenfabriek, gevonden op een vlooienmarkt in Tokio.”

Leidt hij het leven waar hij altijd van gedroomd heeft? „Ik heb mijn hele leven gedaan wat ik wilde doen, ook al wist ik niet precies wat ik wilde doen. Ik heb een eigen spoor gevolgd, dat volkomen buiten dat van anderen lag. Ik heb nooit een plan gehad, maar er was ook geen plan om geen plan te hebben. Ik heb het gewoon gedaan.

„Ik ben van mijn kloosterscholen gestuurd, heb het gymnasium niet afgemaakt, ben op mijn zeventiende het huis uit gegaan. Ik heb een paar jaar gewerkt bij de Rotterdamsche Bank. Dat was niet echt erfröhlichend, maar je weet dan nog niet hoe je daar weg moet komen. Op een gegeven moment ben ik gewoon gegaan, met driehonderd gulden van een oude tante.

„Ik kijk op mijn leven terug als een onafgebroken eindeloze baan. Ik doe nog steeds hetzelfde als toen ik voor het eerst ging liften naar Italië en Spanje. Als ik ergens word uitgenodigd, zorg ik altijd dat ik tijd neem voor een reis waarbij ik niemand zie. Geen interview, niks. Dat is vrijheid.”

De roman Philip en de anderen verscheen 59 jaar geleden, daarna kwamen gedichten, reisverhalen en in 1963 opnieuw een roman De ridder is gestorven. „Dat is een raar boek, geen ‘goed boek’. Ik heb er later iets van de overdreven pathos uitgehaald en dan blijft er nog genoeg over. Het gaat over het onaffe, wat me toen erg bezighield. Een schrijver wil zijn boek niet afmaken, dat laat hij over aan andere schrijvers en zo verder.

„Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik dat boek heb geschreven om mijn leven niet te hoeven afmaken. Als je in mijn werk geïnteresseerd bent – en dat hoeft helemaal niet – is dat een sleutelboek. Nee, het is geen afrekening met Philip en de anderen. Dat zou niet eerlijk zijn. Philip is bij wijze van spreken ‘ontstaan’. Ik mocht de pen vasthouden. En dan is er zeventien jaar geen roman meer.

„Dat laatste was niet toevallig. Ik heb gereisd, geschreven over reizen, poëzie geschreven, het instrument aangescherpt, geleefd, veel gezien. Tot Rituelen (1980). Men sprak over een comeback. Remco (Campert, red.) heeft toen gezegd dat ik nooit weg was geweest en in zekere zin was dat ook zo. Ja, een eigenaardig leven en een rare literaire carrière. Maar het is wel heel erg mijn eigen leven. Ik heb nooit concessies gedaan. Nooit de verantwoording genomen voor kinderen. Dat is echt een bewuste keuze geweest.

„‘Wij zijn onze geheimen’, schrijf ik in ‘s Nachts komen de vossen. Ik houd van geheimen. Uiteindelijk is het dít.” En dan wijst Nooteboom op zijn zojuist bij Suhrkamp verschenen dikke bundel Romane und Erzählungen. „Bevestiging en grafsteen”, zegt hij.

Nooteboom heeft veel graven opgezocht, ze zijn samengebracht in Tumba’s, Graven van dichters en denkers (2009), zijn vrouw maakte de foto’s. Over zijn eigen grafsteen wil hij niet nadenken. „Ik heb tegen Simone gezegd dat als het ergens gebeurt, waar dan ook, ze me daar dan maar moet laten. Ik vond het mooi om bij die vreemde urn van Slauerhoff te staan, op Westerveld. Als je bij het graf van Proust bent en er staan daar twee andere mensen, dan heb je iets met hen te maken. Het is soms ook komisch: Flaubert, die voor mijn gevoel een revolutionair was, ligt in een burgermansgraf, Nabokov in Montreux in een enorm lits-jumeaux.”

Bent u met uw eigen dood bezig?

(Lachend) „Ach, kardinaal Simonis zei ooit een beetje benauwd: ‘de dood is een heel klein poortje’. Vanuit het Vaticaan stap je toch zo de hemel binnen, zou je eerder denken. Mijn hemel is de poëzie en de muziek, daaraan heb ik transcendentie genoeg.

„Elias Canetti was heel kwaad dat hij dood moest en daar kan ik me iets bij voorstellen. Die handtekening op zijn graf lijkt er wel in woede opgezet. Hij ligt vlak bij James Joyce, die heel ontspannen op een stoel zit, sigaretje in de hand.

„Ik heb de laatste jaren veel vrienden zien gaan. Het zou een leugen zijn om te zeggen dat ik ernaar uitkijk. Ik vind het een schande dat je niet zelf een mooi glas mag opdrinken. Voor euthanasie moet je er in Nederland allerlei mensen bij halen. Ik heb er nooit mensen bij gehaald in mijn leven. Dus waarom zou ik er in dat geval wél mensen bij gaan halen die mij ‘ja’ of ‘nee’ zeggen?

„Harry (Mulisch, red.) zei: nu ben ik niet dood, dus is het geen probleem, en als ik dood ben kan ik niet meer denken, dus dan is het ook geen probleem. Het is een sofisme, maar ook onomstotelijk waar. Je vrienden blijven toch altijd je referenties. Je mist ze.

Brieven aan Poseidon gaat over sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Het een is net zo moeilijk voor te stellen als het ander. Wij zijn het evenbeeld van de goden, dan zou je toch een zekere onsterfelijkheid verwachten. Elke dag zie je in de spiegel dat dat evenbeeld verkruimelt. Het punt is de uiteindelijke afwezigheid, en die duurt heel lang.”

In Duitsland verschijnt alles wat u heeft geschreven in een prachtige reeks Verzameld Werk, in Spanje zijn al uw boeken verkrijgbaar, Frankrijk en Italië volgen alles wat u doet, hier geeft De Bezige Bij alles opnieuw uit. Voorlopig heeft u veel lezers.

„Harry zei vaak: lees jij Slauerhoff nog, of Hermans? Ze worden steeds minder gelezen. Het is een ouderwetse vorm van rechtvaardigheid die kennelijk uitsterft. Schrijven is uitgestelde sterfelijkheid. Je kunt nog een tijdje doorpraten.

„Gisteravond zag ik in het Muziekgebouw aan het IJ een opera van Rob Zuidam, geïnspireerd op Suster Bertken die zich in de zestiende eeuw heeft laten inmetselen. Kijk, je weet niet wat voor wegen er uiteindelijk worden bewandeld.

„Twee weken geleden gaf de Nederlandse ambassadeur in Mexico een feest ter ere van mijn komst. Ik ontmoette er een Mexicaan die Nederlandse literatuur bleek uit te geven – Van Eeden, Du Perron. Van de koele meren des doods! Het land van herkomst! We spraken over Ter Braak, Du Perron, het fascisme, de jaren dertig. Het is toch fantastisch dat iemand dat doet!”

Met de Duitsers heeft u een bijzondere relatie. Nu weer deze nieuwe uitgave met alle verhalen.

„Dit is een prachtig boek, hierin zijn alle verhalen nu eens bij elkaar gezet, met voorwoorden van schrijvers uit binnen- en buitenland. Ik heb lezers natuurlijk ook in verwarring gebracht. Fictie, reisverhalen, poëzie, dan weer politiek. Die discussies over straatrumoer vind ik gezeur. Jij bepaalt zelf of je iets in fictie wilt onderbrengen of niet. Ik heb over de val van de Muur zowel Allerzielen als Berlijnse Notities geschreven.”

Wilt u als een geëngageerd schrijver worden beschouwd?

„Nee. Engagement betekent altijd een bepaald sóórt engagement, een programma. Voor mij betekent engagement dat je bij mensen betrokken bent, ook al heb je het er niet de hele tijd over. Als je veel reist, heb je de tijd om naar veel mensen te kijken. Alles in menselijke verhoudingen is politiek, maar niet die van de beroepspolitici.”

Regelmatig publiceerde Nooteboom teksten in El País, in Le Monde, in Die Zeit. Minder in Nederlandse kranten. De verhouding met Nederland is niet altijd gemakkelijk. Je hoort er niet echt bij als je altijd weg bent.

„Een Braziliaanse ambassadeur verruilde haar post in Parijs voor Nederland. Bij haar kennismakingsbezoek aan Buitenlandse Zaken vertelde ze trots dat ze een boek van een Nederlands auteur heel mooi had gevonden, Het volgende verhaal. Ja, zei haar gesprekspartner, het schijnt dat buitenlanders daar iets aan vinden.

„Soms hoor ik dat ik zou vinden dat ik miskend ben, maar dat is onzin. Men heeft niet altijd begrepen waar ik mee bezig was, maar uiteindelijk heb ik alle belangrijke prijzen gekregen, en ik heb mijn eigen trouwe lezers. Aan de andere kant, ik heb vaak geen podium voor mijn stukken. NRC Handelsblad bijvoorbeeld heeft over de jaren minstens acht keer een stuk van mij geweigerd.”

Dat hij in de jaren zestig reisverhalen schreef voor het blad Avenue wordt hem nu nog nagedragen.

„Hoe kun je voor zo’n blad schrijven als je weet dat op de achterkant van de pagina een advertentie staat voor dameslingerie, werd me toen verweten. Dat waren dezelfde mensen die nu een krant maken waarin ze tweehonderd woorden aan een dichtbundel mogen wijden, dezelfde mensen die nu elke zaterdag een pond rommel door je brievenbus gooien met bijlagen over lifestyle, koken, mode en allerlei ‘ikkigheden’ over mensen in wie je niet geïnteresseerd bent. De bijlagen zijn een verlengstuk van de commercie geworden. Als de kranten niet uitkijken verdwijnen ze met het zog mee, in al hun pogingen om iedereen te plezieren.”

Duitsland draagt Nooteboom op handen. Geen land waar hij zo populair is, bij ieder optreden is de zaal tot de nok gevuld. Hij kreeg er vele prijzen.

„Duitsland en Reich-Ranicki hebben mijn leven veranderd. Het volgende verhaal (Boekenweekgeschenk in 1991) werd in Nederland lauw ontvangen. Maar daar zei de grootste tv-criticus dat het het beste boek was dat hij dat jaar had gelezen, eraan toevoegend dat hij niet wist of hij het helemaal begrepen had. Dat deed het ’m. Siegfried Unseld (uitgeverij Suhrkamp, red.), aan wie ik Poseidon heb opgedragen, deed de rest. Unseld was een uitgeefgenie, hij was spijkerhard, zijn motto was ‘wij bestaan niet zonder schrijvers’. Dat zijn ze hier en daar helemaal vergeten.”

Ook in Spanje is Nooteboom populair, twintig van zijn boeken zijn vertaald, geen bestsellers, maar „ze zijn er wel altijd”. Zojuist is zijn dichtbundel Overal licht (Luz por todas partes) verschenen bij poëzieuitgeverij Visor, zijn vaste uitgeverij Siruela heeft Brieven aan Poseidon uitgegeven, en in het najaar verschijnt, bij Candaya een boek met essays van Spaanstalige auteurs over zijn werk, samen met een dvd.

„De dichtbundel is er gekomen nadat ik twee jaar geleden optrad in Medellin. Daar was ook de voormalig ambassadeur van Colombia in Nederland aanwezig, nu directeur van het huis van de poëzie in Bogota. Hij heeft het voor Colombia uitgegeven.

„Ik heb gekozen voor de roman, maar poëzie is de essentie van alles. Poëzie waagt zich verder. Mijn laatste bundel, Overal licht, is mijn beste. Hij verschijnt nu in het Duits, Frans en Spaans. Vroeger heb ik veel poëzie vertaald. Wanneer? Geen idee. Ik weet nooit wanneer iets gebeurd is. Tijd is vloeibaar.”

De toekomst, daar gaat het om. De zomer op Menorca, in het najaar weer naar Venetië om verder te werken aan een boek over die stad, begin volgend jaar naar Cartegena de Indias in Colombia, en dan naar de uiterste zuidpunt van Chili, „daar waar je op een kaart helemaal geen wegen meer ziet staan. Nu moet ik alleen Simone nog zien mee te krijgen. Zonder haar zou het allemaal toch een andere affaire zijn.”

Houdt u nooit op?

„Ik heb voor mezelf een eigenaardig leven uitgedacht, dat is zeker. Ieder jaar verplaatsen we ons drie keer. Een paar maanden in de sneeuw in Duitsland, in de zomer op Menorca en dan Amsterdam. Tegenwoordig is die overgang niet meer zo makkelijk, het gesleep met boeken. Maar als je er eenmaal bent, ben je gewoon weer terug.

„Op al die plekken zijn mensen die we kennen, met wie we goed zijn: de Duitsers aan de overkant die voor de stal zorgen, mijn Spaanse buurman die bij de brandweer werkt. Zij zijn dan nog steeds hetzelfde aan het doen, net als ik, alleen ik ben steeds ergens anders. De vrouw met die ene tik staat nog in het café, de jongen bij de viswinkel maakt de haringen schoon. Die mensen hebben allemaal hun eigen leven. Toch lijkt het dan alsof je zelf meer levens hebt, terwijl dat natuurlijk niet zo is.

„Mijn droom? Een huis, mijn huis, met de Pléiade om me heen, eindelijk de hele Saint-Simon lezen. En schrijven natuurlijk, dat krijg je er niet meer uit. Het zal wel een onhaalbare droom blijken, want dan moet je een huis vinden met rechte muren voor al die boeken. En dan, op termijn, op mijn eigen voorwaarden, eruit. Mijn grootvader zei altijd ‘het eind zal de last dragen’. En zo zal het wel zijn.”