In iedereen zit Einstein

Het centrum van het universum. Dat zijn de jongens in twee Britse debuten. De romans van Nathan Filer en Gavin Extence zijn lichtvoetig, maar gaan ook over fundamentele vragen.

Tekening Paul van der Steen

Wat heb je gemeen met Albert Einstein? Dat vraagt de natuurkundeleraar aan de klas van Matthew. De kinderen moeten kiezen:

1) Je bestaat uit soortgelijke atomen.

2) Je bestaat uit dezelfde soort atomen.

3) Je bestaat deels uit DEZELFDE atomen.

Het verbijsterende antwoord: alle drie. Wij bestaan deels uit de deeltjes die ook ooit de grootste natuurkundige ter wereld vormden. En als het opgaat voor Einstein, geldt het ook voor ‘Julius Caesar, Hitler, de holenmens, de dinosauriërs’ – en voor iemand die Matthew, de jonge hoofdpersoon van De schok van de val, na de bel zelf aan het rijtje toevoegt: zijn verongelukte broer Simon.

In dat besef ligt de kiem voor de aangrijpendste scène uit de debuutroman van Nathan Filer (1980): die waarin we te zien krijgen dat Matthew in zijn kamer een krankzinnige proefopstelling heeft gebouwd. De vloer is bezaaid met flessen en potjes, gevuld met aarde, met elkaar verbonden door plastic slangetjes, zodat er iets gebeurt met ‘covalente bindingen’ en waterstofatomen, waardoor hij zijn broer uit de atomen zal heropbouwen – kinderlijk naïef, maar ook krankzinnig. Het tekent hoe Matthew zich heeft vastgedraaid in het traumatische verlies van zijn broer en hoe hij in een psychose belandt.

Alles wat er was komt altijd weer samen in één persoon – dat is voor Matthew een geruststellend gegeven. Triomfantelijk is het ook: als Einstein in iedereen zit, straalt zijn bijzonderheid misschien wel op iedereen af. Maar we zullen niet allemaal zo bijzonder zijn als de jonge Alex uit Het universum tegen Alex Woods van Gavin Extence (1982), ook een Britse debutant. Alex werd niet alleen verwekt nabij Stonehenge, maar hij heeft bovendien iridium-139-deeltjes in zijn schedel zitten, deeltjes die je vooral aantreft op meteoroïden. Ze zijn achtergebleven na een meteorietinslag in Alex’ hoofd, die hij wonderlijk genoeg overleefde. Het maakt een mediahype van de jongen, die zich er ‘behoorlijk triomfantelijk’ over voelt.

Het centrum van het universum, dat ben ik. Alex is het type literair personage dat het afgelopen decennium steeds vaker opdook, vooral in boeken van jonge Angelsaksische schrijvers: het kleine professortje. In alle oprechtheid vindt hij zichzelf het allerbelangrijkst, zonder dat het een zeurende puber is. Denk bijvoorbeeld aan Oskar, die correspondeert met Stephen Hawking en een plan uitdenkt om zijn overleden vader te vinden, in Jonathan Safran Foers Extreem luid en ongelooflijk dichtbij. Denk natuurlijk aan wiskundenerd-met-Asperger Christopher uit Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon. Zie Oliver Tate uit Joe Dunthornes Submarien, Jason Taylor uit David Mitchells Dertien, die te slim zijn om cool te zijn.

Alles draait om hen en hun blik op de wereld, waardoor ze (in het beste geval) even ontwapenend als irritant zijn. Ze combineren een naïeve blik met ultrarationalistische waarnemingen. Hun verhalen gaan over volwassen worden: de professortjes krijgen het fundamentele inzicht dat de wereld ook wel door draait zonder hen.

Toegankelijke en lichtvoetige, maar evengoed fundamentele literatuur, die vragen stelt over waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Literatuur die zich ophoudt op de grens van jeugdboek en ‘volwassen’ literatuur – het gaat over een kind, maar een lezer moet wel weer zo volwassen zijn om de kinderlijke naïveteit te doorzien.

Dat heeft vooral gevolgen voor de vorm, die nogal eens de gebaande paden volgt. Het universum tegen Alex Woods begint zo rechttoe-rechtaan als een jeugdboek, met een verteller die een kleine kletskous is en veel meemaakt wat andere boekpersonages ook al meemaakten. Een zweverige moeder, pestkoppen op school en de redding daarvan: een vriendschap met een oude man, die hem inleidt in de wondere wereld van de literatuur, vooral die van Vonnegut. Hij richt een leesclub op onder de naam ‘De Wereldlijke Kerk van Kurt Vonnegut’, voor discussies over wezenlijke zaken, aan de hand van literatuur.

Ook De schok van de val voelt vertrouwd door de manier waarop het verteld is, iets te vertrouwd misschien. Om de neergaande spiraal van zijn geestesziekte te doorbreken moet Matthew een symbolische rouwverwerkingsstap nemen. Natuurlijk, denk je dan. Dat rouwverhaal combineert Filer met Matthews relaas van zijn schizofrenie, dat hij, als ik-verteller, ‘zorgvuldig ontvouwt’.

Daardoor is het verhaal nogal gestroomlijnd en worden we maar af en toe deelgenoot van de gekte die zo beklemmend had kunnen zijn, van de ‘legpuzzel met triljarden, echt triljárden, atomen’ in zijn hoofd. Typografische en stilistische trucjes (de eentonige dagen in de psychiatrische inrichting geeft hij weer met de regelslange herhaling van ‘dag in dag uit’) helpen daar niet veel aan. Filer zet in zijn tekst bovendien nogal wat richtingaanwijzers naar de te voelen emoties, alsof de strijkorkesten Hollywoodiaans aanzwellen. Het kan je ontroeren, maar dan moet je er gevoelig voor zijn.

Maar sterk is Filer in de atomen- en universummetaforen, die het emotionele verhaal diepte geven, iets universeels. Het universum kan niet troosten, leert Matthew op zijn weg naar volwassenheid; dat doe je zelf.

Nog sterker is dat in de roman van Extence, waar het universum zich tegen Alex keert. Terwijl hij goedmoedig plannen maakt om als natuurkundige te gaan zoeken naar de ‘Theorie van Alles’, wordt de roman mooi en meeslepend als die zich juist richt op het tegenovergestelde, op de Praktijk van Eén. De oude vriend van Alex, de alleenstaande brombeerIsaac Peterson, krijgt een progressieve zenuwziekte die zijn toestand uitzichtloos maakt. De twee reizen naar een euthanasiekliniek in Zwitserland. Thuis in Engeland krijgen de media er lucht van en daar gaat alles draaien om deze zoveelste mediahype: ‘Uit louter een paar weinig hoopgevende deeltjes was een heel universum van hypotheses opgetrokken.’ Ondertussen ziet Alex juist de nietigheid van zichzelf in, én zijn almacht. Met de keuze voorIsaacs pijnloze dood, doorbreekt hij vastbesloten de wetten van het universum.