Het ultieme Duitse zomergenot

De Bratwurst (braad- worst) is het ultieme Duitse zomergenot, volgens Trees Wienk, die al jaren in Duitsland woont. Ze beschouwt het fenomeen.

Bratwurst is dé zaligmakende Duitse snack. Wurst is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Toch raar. Gegrilde of gebakken Bratwurst kun je kopen bij iedere snackbar of bij kraampjes die Bratwurststand of Bratwurstbude heten. Soms ook bij de slager. En bij ieder volksfestijn staan ook altijd een paar Bratwurstkraampjes. Het zijn meestal vrouwen van middelbare leeftijd met permanent en grote boezem onder hun schorten die de worsten in de gaten houden en ze met een houten tang behendig wentelen, als ze op een grill of een plaat knapperig liggen te worden.

De Bratwurst heeft een lengte van rond 25 cm en een doorsnee van ongeveer 2,5 cm. De worst bestaat uit een soort gehakt dat in een stuk varkensdarm zit. Je hebt grove en fijne. De grove lijkt op de Nederlandse verse worst.

Duitsers hebben een leuke bijnaam voor hun braadworst: Phosphatriemen, fosfaatleuter. De worst die van de vleesfabriek afkomt staat stijf van het fosfaat. Dat wordt als bindmiddel gebruikt om vocht vast te houden. De met de hand gemaakte Bratwurst van de slager is de enige echte. De slagers doen hun best om elkaar zowel wat betreft smaak als samenstelling af te troeven. Met verantwoorde ingrediënten, pittige kruiden.

Een in Duitsland wonende Afrikaan zei ooit op de Duitse tv dat hij niet kon begrijpen hoe je zo’n worst open en bloot op straat kon eten. Hij vond het onesthetisch. Zoiets moest je maar thuis doen.

De Bratwurst is gloeiend heet als je hem in je handen krijgt. Hij zit daarom klem in een hard broodje dat als pannenlap fungeert. Overal in het Duitse stadsbeeld zie je worsten die uit broodjes bungelen. En aan het uiteinde van die worsten hangen blazende, smakkende Germanen. Ik begrijp die Afrikaan wel.

In de zomermaanden viert de Bratwurst hoogtij, dan grillen de Duitsers hun favoriete snack zelf. Op de vleesafdeling van de supermarkten en bij de slagers liggen bergen worst te wachten achter glas. Op elk grasveldje en in alle volkstuinen staat een grill en smeult het houtskool onder sissende worsten. Mannen met een koud flesje bier in de ene en grilltang in de andere hand staan wijdbeens op wacht bij het vurig, archaïsch gebeuren. Het ultieme zomerse genot. In iedere wijk stijgen welriekende vleesdampen omhoog. Op zulke momenten weet ik heel zeker dat ik een carnivoor ben. En wil blijven. Zit de Bratwursthonger misschien in het Duitse DNA opgeslagen? Eskimo’s eten rauw vlees. Als ze een zeehond gevangen hebben rijten ze hem ter plekke open en smullen van de warme, bloederige lapjes vlees. Dat vinden ze lekker. En ze weten ook nog eens instinctief dat het goed voor hen is. Het zit in hun genen, zeggen wetenschappers.

Een Duitser die geen Bratwurst eet is niet goed bij zijn verstand. Of bij zijn DNA. Maar, ook al vind ik de Duitse Bratwurst erg lekker, bij mij is mijn Nederlandse patatgen de baas. En dat gen accepteert alleen Nederlandse patat. Dus telkens als ik in Nederland door een stad dwarrel en de geur van verse friet mijn neus binnendringt, roept dat gen het collectief Nederlands geheugen in mij wakker.

Het stuurt me naar de dichtstbijzijnde patattent waar ik mezelf op ‘ééntje met’ trakteer.