Een fatale dag op de Meermin

Door stommiteiten van de VOC-bemanning, en door doodsverachting en moed van de slaven liep in 1766 een opstand fataal af. Verhoren van slaven bleven bewaard.

Scène uit de film Slave Ship Mutiny, gebaseerd op het drama op de Meermin Foto Courtesy Katharina Pechel

Over het leven op slavenschepen is niet bijster veel bekend. Bronnen zijn schaars en ooggetuigen niet altijd betrouwbaar. Monografieën handelen doorgaans over een schip dat een ramp heeft meegemaakt of waarop een opstand is voorgevallen. Ook het zojuist verschenen boek over het VOC-schip Meermin valt in deze categorie. De Meermin haalde in 1765/’66 ten behoeve van de Kaapkolonie slaven uit Madagaskar. Op de terugweg kwamen de slaven in opstand en na een verwarrende strijd leed het schip schipbreuk op de zuidkust van Afrika. Een drama waar de Zuid-Afrikaanse historici Dan Sleigh en Piet Westra onderzoek naar hebben gedaan.

Het begon allemaal nog zonnig. De Meermin vertrok in mei 1765 vanuit de Simonsbaai met zesenvijftig bemanningsleden. Eenmaal bij Madagaskar begon het eigenlijke werk, waarbij de grootste verantwoording lag bij de koopman, de schipper en twee tolken. Vanaf het schip roeide men naar de kust om contact te leggen met de bewoners.

Via via knoopte men relaties aan met de vorst van het gebied, waarna een moeizaam en langdurig gesoebat aanving. De Europeanen boden hun geweren, kruit en kogels, hun Indiase kleedjes, kralen en spiegels aan. De vorsten kwamen met mannen, vrouwen, kinderen. Soms met zieken en invaliden en soms met niets. Opperkoopman Johan Krause moest oneindig geduld betonen en wist tenslotte honderdveertig slaven te verkrijgen.

Het bewind op de schepen van de VOC was strikt en hiërarchisch gereguleerd. Op overtredingen stonden zware straffen. Op een slavenschip golden daarenboven nog extra rigide maatregelen omdat het aantal slaven doorgaans het aantal bemanningsleden verre overtrof. Een opstand kon catastrofaal aflopen en dat gebeurde dan ook op de terugweg in februari 1766. Achteraf gezien is het een opeenstapeling van misverstanden en stommiteiten aan de kant van de Europeanen en van moed, doodsverachting en goedgelovigheid bij de slaven.

Schoon zwaard

Het begon er al mee dat de schipper veel meer slaven vrij liet rondlopen dan was toegestaan. Vrouwen vertoefden in de kajuit. Wapens en munitie werden slecht bewaakt en op de fatale dag kregen enkele slaven zelfs de opdracht om speren en een zwaard schoon te maken. Dat was vragen om moeilijkheden. De commandostructuur was bovendien verzwakt door ziekte van de schipper en doordat de officieren meer alcohol hadden genuttigd dan verstandig was.

De slaven kregen die speren in handen, maakten ze schoon, waarna een opstand uitbrak. Het zal wel nooit duidelijk worden in hoeverre dit beraamd was of spontaan verliep. De bootsman verklaarde later dat hij de speren teruggekregen had en daar als grap wat steekbewegingen mee had gemaakt.

De slaven vatten dat op als een acute bedreiging en sloegen alarm. Andere slaven die al vrij rondliepen of zich van hun boeien hadden weten te ontdoen, kwamen nu aan dek en vielen de bemanningsleden aan. Er vielen doden en gewonden, matrozen werden overboord gegooid. De overlevenden verschansten zich onderdeks en hielden het dagen vol.

Onderhandelingen volgden en uiteindelijk werd overeengekomen dat het schip onder supervisie van de oorspronkelijke bemanning terug zou varen naar Madagaskar en dat de slaven daar vrijuit zouden gaan. In werkelijkheid koerste het schip naar de kust van Afrika. Enkele slaven gingen daar aan land, waar Kaapse boeren hen gevangen namen of doodden. De VOC in Kaapstad werd gewaarschuwd en stuurde troepen naar de kust en nam het merendeel van de slaven gevangen. Bij de opstand kwamen drieëntwintig bemanningsleden en zestien slaven om. Het schip raakte aan lagerwal en ging verloren.

In Kaapstad volgde een proces waarbij de aangeklaagde bemanningsleden elkaar en dan liefst hun vermoorde collega’s de schuld gaven. De officieren werd grote nalatigheid verweten; zij verloren hun gage en kregen ontslag uit VOC-dienst.

Een trotse man

Het interessantste verhoor is dat van de tweede man van de slavenopstand, Massavana. Hij is de enige van de slaven van wie we dankzij de verhoren een persoonlijke indruk krijgen. Een trotse man van omstreeks 26 jaar die een hopeloze strijd leverde. Zijn woorden vatten eigenlijk het hele drama samen.

Op de eerste vragen zegt hij: ‘Ik was een vrij man en werkte in de landbouw en in de veeteelt. Ik droeg mooie kleren, had goud en zilver op mijn lichaam en werd door de koning van Tulear uitgenodigd om samen met hem aan boord van het schip te gaan... Ongeveer halverwege daarheen liet de koning mij in de boeien slaan, en pakte het goud, het zilver en de kleren van mijn lichaam en verkocht mij als slaaf aan dat schip’.

Op de vraag of hij niet mede een opstand had beraamd, antwoordde hij ontkennend. Als dat al gelukt zou zijn en hij weer terug op Madagaskar had kunnen komen, zou de koning hem hebben gedood. Massavana verdedigde zich uitstekend en dat heeft hem het leven gered. Hij werd niet ter dood veroordeeld, maar verbannen naar Robbeneiland waar hij na drie jaar overleed.

De reconstructie van deze opstand is gebaseerd op de verhoren die stuk voor stuk zijn naverteld. De lezer krijgt daardoor dezelfde gebeurtenissen te lezen, telkens uit een iets ander perspectief. De stijl van het boek is wat houterig; mogelijk ligt dat aan de vertaling. Enkele termen uit de wereld van de VOC zijn verkeerd vertaald of soms niet uitgelegd. Dat de opstandige slaven soms ‘muiters’ worden genoemd is op zijn zachtst gezegd wrang.