Column

De ironie van de Antillen

Als de eilanden van Caribisch Nederland de banden met het moederland willen doorsnijden en onafhankelijk willen worden, zal de Nederlandse regering hun geen strobreed in de weg leggen. „U hoeft maar te bellen”, zei premier Rutte, „en dan gaan we het meteen regelen.” Je zou willen dat de regering vaker met zo’n voortvarendheid te werk zou gaan.

Ruttes formulering blonk niet uit in sierlijkheid. Hij was even vergeten dat we er altijd een fictief sausje van respect overheen moeten gieten, waarbij we de historische banden beschrijven als een hechte lotsverbondenheid en vriendschap en benadrukken dat we veel belang hechten aan het wederzijds respect en de samenwerking op voet van gelijkheid. Maar dat Rutte dat naliet, maakte zijn uitspraak des te eerlijker. Want de waarheid is natuurlijk dat we die eilanden kunnen missen als kiespijn.

Ze zijn een enorme kostenpost en stellen ons voor allerhande complexe problemen. Er zijn tientallen ambtenaren in Den Haag fulltime bezig om de Nederlandse wetten en regelingen, die in theorie automatisch ook van kracht zijn in de overzeese rijksdelen, op zo’n manier te vertalen en te versleutelen dat ze daar, aan de andere kant van de wereld, daadwerkelijk kunnen worden toegepast.

En die eilanden willen natuurlijk helemaal niet onafhankelijk worden. Ze profiteren er enorm van dat ze deel uitmaken van het koninkrijk of daar op z’n minst hechte banden mee hebben. Onafhankelijkheid zou een economische ramp voor hen zijn.

Het is een prachtig voorbeeld van postkoloniale ironie. We hebben die eilanden een paar eeuwen geleden met geweld veroverd en tegen de zin van de lokale bevolking ingelijfd. Toen waren ze nuttig voor ons. Wij profiteerden ervan. Maar nu ze ons alleen maar geld kosten en tot last zijn, stellen we ons opeens heel erg modern volkenrechtelijk en anti-koloniaal op. We zeggen dat vreemde overheersing niet meer van deze tijd is en dat de lokale bevolking uiteraard het natuurlijke recht toekomt op onafhankelijkheid en vrijheid. Maar de lokale bevolking wil dat helemaal niet. En wij zitten met de gebakken peren.

Het is een groteske situatie die ik eigenlijk heel erg rechtvaardig vind. Doordat wij gedwongen worden om solidair te blijven met een paar lapjes grond die we een paar eeuwen geleden om egoïstische redenen hebben veroverd, worden we blijvend geconfronteerd met ons koloniale verleden. En we hoeven niet net te doen alsof we spijt hebben van dat koloniale verleden in schuldbewuste toespraken op symbolische dagen waarop we iets herdenken, we hebben er echt spijt van. We voelen het in onze portemonnee. En eigenlijk is dat alleen maar heel erg goed en terecht.

Dat wij gedwongen worden om de eilanden van Caribisch Nederland blijvend financieel en anderszins te steunen, kunnen we zien als een verplichting tot het voldoen van herstelbetalingen en een vorm van historische rechtvaardigheid.

Ilja Leonard Pfeijffer is schrijver en columnist van nrc.next. Elke vrijdag schrijft hij op deze plek over politiek