De dood van een ‘broertje’

Stephan Sanders (l.) en Anil Ramdas Foto Kippa

Ook mannenvriendschappen komen voor in soorten. In zijn bestseller Ventoux bezingt journalist Bert Wagendorp de zwijgzame soort, waar vrouwen van denken dat het ‘nooit ergens over gaat’, behalve over bier en sport. Er is ook een ander type, waarin het juist altijd ergens over gaat, nee, móét gaan – behalve over sport en bier.

Stephan Sanders onderhield zo’n laatste soort intense vriendschap met journalist en schrijver Anil Ramdas, die vorig jaar op 54-jarige leeftijd een eind aan zijn leven maakte.

De twee leerden elkaar begin jaren negentig kennen bij weekblad De Groene Amsterdammer. Nieuwkomer Ramdas bombardeerde Sanders tot zijn journalistieke kompaan en zelfs ‘broertje’. Samen presenteerden ze het tv-programma Het blauwe licht. Rivaliteit en wederzijdse bewondering hielden elkaar lang in evenwicht, maar bij het einde van dat programma kwam het toch tot een breuk. In de jaren daarna kreeg die een ideologische lading door onenigheid over het ‘multiculturele drama’ en het optreden van Ayaan Hirsi Ali, die Sanders bewonderde maar aan wie Ramdas een hekel had. Het laatste gesprek aan de keukentafel stemde bitter en teleurgesteld. Ze waren uitgepraat.

Iets meer dan een seizoen is een gekwelde exegese van die vriendschap, onvermijdelijk in de schaduw van Ramdas’ zelfgekozen dood. Sanders, die het doodsbericht van zijn ‘broertje’ kreeg tijdens een verblijf in Almere als writer in residence, dendert in dit korte memoir over een achtbaan aan emoties: woede, wrok, verdriet en wroeging. Wat ging er mis? ‘Hebben we niet genoeg slingers opgehangen?’ roept hij uit.

Die emoties, beschreven in subtiel en onsentimenteel proza, zijn begrijpelijk genoeg. Het bittere mysterie van zelfmoord laat nabestaanden verbijsterd achter. Maar de nadruk erop heeft wel dit nadeel: je komt als lezer dichter bij Sanders dan bij Ramdas, die tussen de herinneringen door telkens weer weg lijkt te glippen.

Martin Bril

Het abrupte, zelfgekozen einde verklaart wellicht ook waarom Sanders een geheel andere aanpak heeft gekozen dan Dirk van Weelden in de roman Het laatste jaar, een gefictionaliseerde verwerking van de dood van diens beste vriend Martin Bril, die overleed aan kanker (Boeken, 26.04.2013). Bril en Van Weelden waren eind jaren tachtig, toen Nederland eindelijk uit de no future-houdgreep was losgeschoten, óók zo’n literair-intellectueel jongensduo dat de hemel met het geschreven woord wilde bestormen.

Maar terwijl Van Weelden de coole Bril, die zelf niet zo van ‘theorietjes’ hield, ijverig van een generationele en maatschappelijke context voorziet – het zoeken naar ‘schrijverschap’ in de postmoderne jaren tachtig – lijkt Sanders juist alle schillen rond de ziel van zijn vriend te willen afpellen. ‘Weerzinwekkend’ vond hij dan ook pogingen van vage kennissen om van Ramdas ‘de eerste martelaar van PVV-Nederland’ te maken, analoog aan Menno ter Braak.

Terecht, want dat reduceert het persoonlijke drama op een perverse manier tot voetnoot bij een culturele loopgravenoorlog. Maar ook Sanders’ resolute afwijzing van context mondt uit in een vorm van reductionisme: psychologie is noodlot. Ramdas kon zich niet er niet mee verzoenen dat zijn succes voorbij was en de linkse, kosmopolitische elite niet langer de toon zette in Nederland. Hij werd ‘een achterblijver’.

Sanders poneert dat gelukkig allemaal niet plompverloren, hij zoekt en tast vooral naar antwoorden. Maar het is, in minder subtiele vorm, wel het dominante verhaal over Ramdas geworden: een slechte verliezer en politiek correcte has been – en ook nog aan de drank.

Dat is jammerlijk, want zo verdwijnt niet alleen Ramdas’ werk als essayist en intellectuele gangmaker uit het zicht, maar ook zijn onmiskenbare talent voor zelfspot en komedie.

Dat toonde hij ook in zijn laatste boek, de roman Badal, een tragikomedie over intellectuele betekenisloosheid die vooral werd onthaald als treurig zelfportret (Boeken, 14.04.2011). Bijvoorbeeld in een terloopse opmerking van de drankzuchtige hoofdpersoon, Badal, die op zijn hotelkamer de minibar leegdrinkt maar de dame die hem gezelschap houdt er fijntjes op wijst dat de Perrier die zij eruit pakt ‘duur water’ is.

‘White trash’

Zelfs de sneren naar PVV’ers als onbeschaafde white trash die hem zo zijn nagedragen (en waar Badal in het boek onderzoek naar doet), hadden een ironische ondertoon. Ze waren een sarcastische omkering van ‘ik-zeg-wat-ik-denk’- etiketten als ‘kut-Marokkanen’ en ‘geitenneukers’ waar niemand meer van opkijkt of die zelfs zijn omarmd als watermerken van het vrije woord.

Maar dat pesterige gevoel voor ironie, met als kern zijn pleidooi voor ‘beschaving’, sloeg niet meer aan in een grimmig opinieklimaat dat elk relativisme wilde afzweren en waarin Joost Zwagerman Ramdas in een heetgebakerde polemiek een linkse racist noemde. En dat heeft wél met maatschappelijke context te maken.

Bij de crematie van Anil Ramdas sprak ook zijn laatste werkgever, de directeur van migrantenomroep MTNL, waarvoor hij laat op de avond een interviewprogramma presenteerde. Ramdas was populair onder de jonge allochtone redacteuren, vertelde de directeur, die hem niet had gekend voordat hij zichzelf aandiende. In de rookpauze gingen de jonge medewerkers graag met hun oudere collega de tuin in. En ja, dan moest het wel ergens over gaan, behalve vermoedelijk over sport of bier. ‘Ik ben blij dat ik niet ben gestopt met roken’, had een van hen gezegd, ‘nu leer ik tenminste wat.’

In die tuin werd het gesprek voortgezet.