Alleen een leguaan brengt troost

Onder een viaduct ergens in Florida bivakkeert een vermeende zedendelinquent in een tentenkamp met ‘hard core’ delinquenten. ‘The Kid’ deed niets fout, maar zijn status achtervolgt hem. Een bizarre roman over de destructieve reikwijdte van internet.

Zo’n tachtig mensen, veelal zedendelinquenten, leven onder de brug Julia Tuttle Causeway in Miami-Dade County in het zuiden van Florida Foto Hollandse Hoogte

Huid lijkt een visioen van een barre toekomst, maar is tegelijkertijd gebaseerd op een al even barre hedendaagse werkelijkheid. Onder het viaduct dat de stad Calusa, een soort Miami Beach, verbindt met het vasteland is een tentenkamp ontstaan dat alleen bewoond wordt door mannelijke zedendelinquenten. Dit is de enige plek waar ze terecht kunnen volgens een verordening van de county: de enige plaats in de stad die 750 meter verwijderd is van een plek waar minderjarigen samenkomen, zoals een school of speelplaats. En, zoals de hoofdpersoon van deze krachtige roman, een 22-jarige die ‘de Kid’ genoemd wordt, het zegt: ‘Dat weet je trouwens maar nooit. Speelplaatsen en scholen zitten zowat overal verstopt.’

De Kid heeft zijn verblijf onder het viaduct te danken aan een vervelende onzorgvuldigheid. Hij is er ingeluisd, deze naïeve eenling, slordig opgevoed door een naar hedonisme neigende, alleenstaande moeder. Zijn enige seksuele ervaring bestaat uit masturbatie bij het bekijken van sekssites, de enige momenten dat hij ‘het gevoel had dat hij er echt was’.

Zijn pornoverslaving leidde hem naar een chatroom waar hij contact had met een achttienjarig meisje, dat veertien bleek te zijn, en naar een pedolokker van de zedenpolitie. De Kid kent al zijn favoriete pornosterren bij naam en kan zich, ook als hij onder het viaduct geen internettoegang heeft, even goed behelpen met de in zijn hersens opgeslagen scènes.

Generator

In het geïmproviseerde dorp is niet alleen een micro-economie ontstaan – zo is er iemand met een generator die tegen betaling mobiele telefoons en elektronische enkelbanden oplaadt –, maar ook een duidelijke hiërarchie. ‘Gasten die seksuele omgang hadden met tienermeisjes staan bovenaan. Dan komen de gasten met een veroordeling wegens seksuele omgang met kleine jongetjes. Daarna die met een veroordeling wegens seksuele omgang met kleine meisjes. Dan komt er een hele tijd niks en dan pas de babyneukers.’ Of, zoals de categorieën, minder officieel, respectievelijk worden genoemd in de opmerkelijk goede vertaling van dit boek: ‘voormalige bajesmeesters en -slaven, zaadgeilers en vleesmeesters, pedo’s en donswerkers’.

Deze hiërarchie is onder het viaduct veel belangrijker dan de financiële of voormalige maatschappelijke positie van de bewoners, zoals een veroordeelde oud-senator aan den lijve ondervindt: hij heeft weliswaar genoeg geld om diensten en goederen te kopen, maar blijft als ‘donswerker’ geminacht.

De Kid woont er samen met het enige schepsel waar hij ooit echt van gehouden heeft: de één meter tachtig lange leguaan Iggy, die hij geketend heeft aan een betonblok en zorgvuldig van vegetarisch voedsel voorziet. Het geschubde monster is een prachtige metafoor voor de verstoorde emotionaliteit van de Kid, die nog nooit de huid van een meisje heeft aangeraakt, en heel lang geleden alleen die van zijn moeder. De oorspronkelijke titel Lost Memory of Skin verwijst daar nadrukkelijker naar dan de Nederlandse.

Als er verkiezingstijd aanbreekt in Zuid-Florida wordt het tentenkamp een politiek issue: de opeenhoping van deze maatschappelijk verstotenen wordt als een schandvlek op de stad gezien en op aandrang van bezorgde ouders en de toeristenindustrie voert de politie een razzia uit. Het is een typisch Amerikaans staaltje van symboolpolitiek, want na de verkiezingen druppelen de bewoners een voor een weer terug naar hun vernielde onderkomens.

Leguaan Iggy blijkt een van de slachtoffers van de razzia: hij is door zijn kop geschoten. Als vervolgens een orkaan het gebied treft worden de Kid en zijn medebewoners uiteraard genegeerd door de diensten die het gebied te hulp snellen. De Kid zoekt een uitweg naar een nog verder afgelegen gebied in de moerassen van Florida, maar ook daar wordt hij achterhaald door zijn status als zedendelinquent, die overal op internet te vinden is. Als Russell Banks het bij een portret van deze goedwillende mislukkeling had gehouden was zijn boek een grandioze schildering geweest van een segment aan de onderzijde van de Amerikaanse samenleving. Maar hij koos ervoor een andere hoofdpersoon in het boek te introduceren met de ietwat groteske naam Professor, een wanstaltig dikke universitair docent sociologie die doet alsof hij de Kid als studiemateriaal wil gebruiken.

De Professor doet zijn intrede als de geïmproviseerde samenleving onder het viaduct nog niet door de razzia en de ramp is getroffen; hij leert de Kid nadenken over zaken waarover hij nog nooit heeft nagedacht. Met de Bijbel en Shakespeare in de hand stelt de Kid zich zelfs vragen over de maatschappij en de heersende seksuele moraal, en begint hij voor het eerst zijn eigen rol als delinquent in een ander perspectief te zien.

De Professor zorgt er zelfs voor dat er onder het viaduct iets van orde ontstaat en een ‘bestuurscommissie’ optreedt, waaraan de Kid enige autoriteit gaat ontlenen. Maar uiteindelijk blijkt de Professor toch andere, in zijn verleden gewortelde motieven te hebben, factoren die het verhaal naar een wat onbevredigend, gekunsteld slot voeren.

Onbehaaglijk gevoel

Het boek kent enkele schitterende scènes, te beginnen met het eerste hoofdstuk waarin de Kid een openbare bibliotheek binnenloopt om het Landelijk Register van Zedendelinquenten op te zoeken. De bibliothecaresse is hem professioneel behulpzaam, maar als ze op Google zijn naam intikt en het adres van zijn moeder wordt ze doorgelinkt naar www.familywatchdog.us, een soort digitale schandpaal, en daar verschijnt meteen zijn foto op het scherm. ‘Dat ben jij toch?’ vraagt ze. Maar de Kid heeft zich al uit de voeten gemaakt.

Met de onduidelijke en ook niet echt goed uitgewerkte introductie van de Professor heeft dit boek wat aan zeggingskracht ingeboet. Banks heeft altijd in zijn romans grote onderwerpen durven aanpakken, maar ook, hoe divers dat oeuvre in kwalitatief en thematisch opzicht ook is, altijd de neiging gehad de lezer met een onbehaaglijk gevoel achter te laten. Dat deed hij met Continental Drift (over het lot van illegale immigranten in de VS); met The Darling (over een voormalige radicale Amerikaanse studente); en met Cloudsplitter (over de 19de-eeuwse anti-slavernijactivist John Brown) – om er maar enkele te noemen. Hij is, met andere woorden, de archetypische anti-feelgood auteur.

Maar zijn neiging om, impliciet of expliciet, te moraliseren zit hem soms in de weg en zal hem, gezien zijn voorkeur voor marginale en opstandige hoofdpersonen, nooit de status van Great American Novelist opleveren die veel bewonderaars hem toedichten, onder wie Jonathan Franzen. Iets te moraliserend is hij ook in dit nieuwe boek, dat belangwekkende vragen oproept over de destructieve reikwijdte van internet en de, wat Banks in een interview noemde, ‘nationale obsessie met seksmisdrijven’, een obsessie die, naar zijn zeggen, ‘niet zozeer met seks te maken heeft als wel met een diep verborgen gevoel dat we falen in het beschermen van onze kinderen’. Maar bovenal heeft hij met de Kid een van zijn aangrijpendste karakters geschapen, een heel eigentijdse loner die onherroepelijk bij de lezer sympathie zal oproepen – en mogelijk ook enig ongemak over zijn uitzichtloze toekomst.