Stratenmakerskunst

Gaan //

Beeldende kunstWillem van AlthuisMuseum BelvédèreToegang €8,00

Soms had hij er schoon genoeg van, want het werd in ieder stuk over hem en zijn werk vermeld. Maar het was waar: de Friese schilder Willem van Althuis (1926-2005) combineerde het kunstenaarschap jarenlang met zijn werk als stratenmaker bij de gemeente Heerenveen. In de schaftkeet werd hij door collega’s gekscherend Rembrandt of Van Gogh genoemd. Maar wat hij in die tijd maakte, doet eerder aan het werk van naïeve schilders denken. Precies gepriegelde dorpsgezichten en landschappen, op den duur weleens gestileerd tot iets new age-achtigs. Onopvallende amateurkunst. Tot hij begin jaren zeventig, toen hij tegen de vijftig liep, vanwege een versleten rug in de ziektewet terechtkwam en zich volledig aan zijn schilderijen kon wijden. Daar werden die schilderijen een heel stuk beter van. Van Althuis werd pas echt schilder toen hij stratenmaker af was.

Het Museum Belvédère bij Heerenveen heeft nu een flinke tentoonstelling aan Van Althuis gewijd. En ook daar blijkt duidelijk wat er rond 1973 in zijn werk verandert.

Het kneuterige gaat eraf. De composities worden strakker en eenvoudiger, de landschappen leger, de kleuren subtieler en spannender. Van Althuis legt een grote gevoeligheid voor stemming aan de dag. Zijn Station in Dronrijp (1973) staat wit en met gesloten ramen en deuren op een groen-blauw land onder een vreemd oranjegele lucht. Het schilderij is magisch-realistischer dan alle Willinks bij elkaar. Uit hetzelfde jaar dateert een abstracte vertaling, waarin het groenige blauw een horizontale baan is geworden tussen twee grote oranjegele vlakken, waar naar boven en onder toe weer iets van dat blauw doorheen is gemengd.

Tussen 1972 en 1975 maakte Van Althuis vier keer zo’n ‘paartje’ van een figuratief schilderij met zijn abstracte vertaling. De tweelingschilderijen waren zo’n succes dat hij er alras weer mee ophield. „Het moet geen maniertje worden”, zei hij. Maar nadien bleef hij altijd zowel figuratief als abstract schilderen. Niet in paartjes, maar wel door elkaar. Het abstracte werk is meestal sterker.

Zijn de composities herkenbaarder landschappelijk, dan wordt het weleens kitscherig. Boompjes in de nevel, een kerstkaartachtig dorpsgezicht met sneeuw. Maar daar tegenover staat een reeks van ruim twintig ‘pakhuisjes’, geschilderd tussen 1976 en 1990 (in het museum zijn er veertien te zien). Het zijn variaties op een thema. Steeds dezelfde compositie met steeds hetzelfde eenvoudige gebouw in Laaxum, onder telkens verschillende weersomstandigheden en misschien ook in verschillende seizoenen. Maar zomers en zonnig is het nooit. Onder Van Althuis’ handen werd ieder motief koel en kaal, leeg en stil. Hij was stratenmaker en winterschilder.