Politiebaas Opstelten regelt het zelf

De minister organiseert de nationale politie, de burgemeester gaat over de inzet. Maar de minister doet beloftes die de burgemeesters niet kunnen waarmaken. Wrevel alom.

Minister Opstelten poseert met de politietop bij het begin van de nationale politie. Foto ANP

„Het aantal woninginbraken zal in 2017 zijn teruggebracht tot 65.000 per jaar.” Minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie) bracht het eind maart als een zekerheid. Voor critici die kanttekeningen plaatsten – het aantal inbraken steeg van 82.780 in 2010 naar 91.583 in 2012 – had de VVD’er één van zijn klassiekers paraat: „We gaan het gewoon doen.” Want, stelde hij: „Stop je de daders, dan stop je hun daden.”

Eerder al had Opstelten beloofd dat de politie slachtoffers van inbraak binnen 14 dagen gaat terugbellen om verslag te doen van de vorderingen van het onderzoek.

Het is precies deze opstelling die tot irritatie leidt bij menig burgemeester, leert een rondgang. Zij zijn hoofdverantwoordelijk voor de lokale inzet van de politie. Maar wat valt er nog aan te sturen nu de minister zich sinds de oprichting van de nationale politie zo openlijk bemoeit met ‘hun’ politie?

Op de eerste dag van dit jaar kreeg Nederland een nationale politie die 25 regionale korpsen verving. Gerard Bouman, de nationale korpschef, valt direct onder Opstelten. De minister is sinds de nationalisering verantwoordelijk voor de zogeheten beheerstaken van de politie: financiën, materieelinkoop en arbeidsvoorwaarden. De burgemeesters hebben, ook na de komst van de nationale politie, de zeggenschap over de inzet van de agenten. Op papier.

In de praktijk trekt Opstelten zich weinig aan van de grenzen van zijn formele macht, stelt bijvoorbeeld Rob van Gijzel (PvdA). Volgens de Eindhovense burgemeester bepaalt Opstelten niet alleen de prioriteiten: „Zelfs de manier waarop de politie met zaken om moet gaan, wordt door hem vastgesteld.” Van Gijzel noemde de nationale politie onlangs op een openbare bijeenkomst zelfs „een gecentraliseerde moloch”.

Annemarie Jorritsma (VVD), burgemeester van Almere, viel hem bij in het Eindhovens Dagblad. „Ik heb nog geen verbetering gezien, eerder een verslechtering.”

Ook Leen Verbeek (PvdA), commissaris van de koning in Flevoland, vindt dat Opstelten zich te nadrukkelijk laat gelden bij de uitvoering van de politietaken. Verbeek, namens al zijn collega’s in de andere provincies belast met politiezaken, vindt dat Opstelten „publiekelijk uitspraken doet over de aanpak van kwesties die lokaal zouden moeten worden besproken”. Ook concludeert hij, op basis van gesprekken met burgemeesters en zijn collega’s, dat de minister „heel direct leiding geeft en ingrijpt bij besluiten van burgemeesters”. Volgens Verbeek zijn er „stevige signalen” dat de relatie tussen lokaal verantwoordelijken voor de veiligheid en de minister „bepaald niet optimaal” is. Welke signalen precies, dat wil Verbeek niet zeggen.

Een voorbeeld van de Haagse sturing, waarin Opstelten voor de buitenwacht een twee-eenheid vormt met korpschef Bouman, is het als „dwingend” ervaren advies aan de Nijmeegse burgemeester Hubert Bruls (CDA). Die kreeg afgelopen mei opnieuw te maken met een toertocht van motorclub Satudarah, startend vanaf de Nijmeegse Waalkade. Vorig jaar besloot Bruls zelf dat het evenement kon doorgaan, ditmaal was de vraag van de nationale politie of dat wel zo’n goed idee was. Satudarah is omstreden; het Openbaar Ministerie houdt de club nauwlettend in de gaten. Maar er kwamen geen argumenten om de tocht te verbieden. Dus ging die gewoon door. „Zonder enig probleem”, laat Bruls’ woordvoerder weten.

De Haagse bemoeizucht reikt verder. Neem Amsterdam. Het hield bij de troonswisseling op 30 april ten onrechte twee demonstrerende republikeinen aan. Cruciaal in het feitenrelaas daarover en de beoordeling ervan is een passage over het moeizame portofoongebruik op de Dam. Vraag van minister Opstelten aan burgemeester Eberhard van der Laan(PvdA): kan de passage worden geschrapt? Een eerder drama met hetzelfde portofoonsysteem C2000 zijn ze in de Tweede Kamer nog niet vergeten, weten ze in Den Haag. Voor je het weet, moet Opstelten zich verantwoorden in het parlement, is de angst op het ministerie.

Van der Laan (PvdA) erkent desgevraagd dat de bewuste frase is aangepast. „In goed overleg is er aan die passage gesleuteld. Zonder enig probleem.”

Ruim een half jaar na de komst van de nationale politie is het zoeken naar de juiste afstemming met Opstelten en Bouman, vertellen betrokkenen ‘regioburgemeesters’. Zij zijn voor Den Haag het aanspreekpunt van de tien politie-eenheden waarin het land nu is onderverdeeld. Zo is Van der Laan regioburgemeester van de eenheid Amsterdam en Bruls van Oost-Nederland, met 82 gemeentes de grootste eenheid.

Voor afstemming met Den Haag zijn de (regio)burgemeesters hoofdzakelijk aangewezen op een maandelijkse vergadering met Opstelten, Gerard Bouman en Herman Bolhaar, de baas van het Openbaar Ministerie. Tenminste, als het overleg doorgaat.

Opstelten, voorheen als burgemeester van onder meer Utrecht en Rotterdam tegen de nationale politie, zweert niet bij het overleg. De laatste vergadering zegde hij op het laatste moment af. „Hij zou er goed aan doen het overleg serieuzer te nemen”, zegt Bernt Schneiders (PvdA), burgemeester van Haarlem. „Dat overleg gaat gewoon niet goed, van twee kanten” zegt zijn Amsterdamse collega Van der Laan. Peter Noordanus (Tilburg, PvdA): „Het is veel te hapsnapperig.”

Nationale korpschef Bouman is zich bewust van de wrevel bij de burgemeesters. „Ik zie ook de irritatie.”

Voorzitter van de regioburgemeesters is Jozias van Aartsen, burgervader van Den Haag en partijgenoot van Opstelten. Hij wil „niets” kwijt over de moeizame start van het overleg. „We zitten in de startfase. Dat is één van de gevaarlijkste momenten, want je moet zorgen dat het vliegtuig hoogte kan winnen. Dat is nu vooral hard nodig.”

Aanwezigen bij het overleg schetsen een beeld van een ministerie dat vooral bezig is zaken níét op de agenda te krijgen om tegenspraak te vermijden, een minister die het overleg afzegt wanneer het hem uitkomt, en burgemeesters die onderling verdeeld zijn over de vergaderstrategie. Naast Van der Laan en zijn Rotterdamse collega Aboutaleb (PvdA) gelden voorzitter Van Aartsen, Schneiders en Noordanus als invloedrijk aan tafel. Van Aartsen, die binnenskamers het credo ‘wie met de minister onderhandelt, moet zich snoeihard opstellen’ aanhangt, geldt als scherpste criticus. Van der Laan is, behalve van de confrontatie, van de bestuurlijke charme. Een compliment op zijn tijd doet wonderen in Den Haag, weet hij.

De Amsterdammer onderhoudt een intensieve en naar eigen zeggen „voortreffelijke” relatie met Opstelten en Bouman. Die kwam hem onlangs goed van pas. De aanschaf van een nieuw politiebureau voor de Burgwallen in Amsterdam, beter bekend als de Wallen, liep vast in de bureaucratische molen van de nationale politie. Want wie gaat er over de aanschaf van een nieuw pand, de Amsterdamse politie of Den Haag? Pas toen Van der Laan een brief aan Bouman stuurde om een beslissing te forceren, kon de Amsterdamse politie het pand verwerven. Van der Laan: „Ik heb inderdaad een kleine bijdrage geleverd.”

Regioburgemeesters uit ‘de provincie’ kijken met lichte afgunst naar Van der Laans Haagse contacten. Anders dan de Amsterdammer en de burgemeesters van de andere grote steden Rotterdam, Den Haag en Utrecht, zijn zij veelal afhankelijk van de formele overlegmomenten.

Bovendien toont Opstelten zich volgens betrokkenen weinig ontvankelijk voor hun inbreng. Neem de keer dat Schneiders voorstelde de aanpak van de georganiseerde criminaliteit te intensiveren. Schneiders tegen de aanwezigen: „Zijn we wel effectief genoeg?” Zijn voorstel om 10 procent van het op criminelen verhaalde geld in nieuw onderzoek te steken, kreeg bijval. Maar niet van Opstelten. „Misschien moeten ze in Kennemerland nog iets harder werken”, was zijn reactie. Einde discussie.

„Het liefst”, zegt een betrokkene, „bepaalt Opstelten tot achter de komma hoe het gaat. Ivo is van de politieke politie, wil als minister het liefst ook burgemeester van Nederland zijn. Dat staat alleen niet in de wet.”