Gevangen in het web van mama Mick

Mick Jagger viert morgen zijn 70ste verjaardag. Een confronterende gedachte, vindt Joyce Roodnat. „In 1969 werd hij de man op wie ik val. Stoer genoeg om een jurk te dragen, en hij deed dat vorige maand nog tijdens een Stones-concert in Hyde Park. Mick is een vrouwenman.”

Ik houd van Keith en ik ben op Mick. Dat zit zo. Keith Richards speelt gitaar als een elf. Hij is cool, zo cool. Mick Jagger danst als een elfje. Hij is hot, hot, hot. Met de een heb ik vaste verkering, voor de ander val ik.

Ze vullen elkaar aan, samen zijn ze de Rolling Stones. Keith is de vader en Mick is la mamma. Soms hebben ze ruzie, de laatste keer was toen Richards in zijn autobiografie over Jagger roddelde. Maar daar stappen ze weer overheen – voor de kinderen; voor de Stones. Scheiden? Nee, dat nooit. Dus leidt vader Keith de muziek, maar moeder Micks wil is wet. Luister maar naar The Spider and the fly. Een onweerstaanbare song, ze schreven hem samen. Blues is het, dan zijn ze op hun best. Niet de Rolling Stones, die kunnen alles, maar die twee. Keiths gitaar zet in. Het lijkt een bekend schema, maar hij flikt er iets mee, iets lijzigs wat een vaste burcht bouwt. Simpel en fenomenaal. Dan begint Mick te zingen. Ook lijzig, niet vast maar vloeibaar: „Sittin’, thinkin’, sinkin’, drinkin’,/ Wondering what I’d do when I’m through tonight...”

Zulke zinnen zijn bekend terrein voor de bluessong, de woorden zijn weinig meer dan een herhaling van zetten.

Met zijn stem likt Mick Jagger de muziek en de woorden tot een eenheid, soms met kleine gebaren, dan ineens met een grote uithaal. Hij klinkt beurtelings berekenend en braaf. „My, my, my don’t tell lies/ remember keep fidelity in your head...” Zo voedt hij de song. Hij koestert hem met zijn mondharmonica, hij brengt hem op gewicht. Dit is geen niemendalletje meer. Hier ontbloeit een ode aan de lusteloosheid en dat is ineens een onderwerp van belang. Bij de laatste strofen wordt zijn stem een lasso: „I said my, my, like the spider to the fly/ Jump right ahead in my web.”

En dat is wat we doen. We springen in zijn web, we duiken in zijn lasso. Hij snoert aan, wij zitten vast. We willen niet anders. Wat een muzikant. Wat een man.

Morgen is Mick Jagger ineens 70. Op leeftijd heet dat. Het is een confronterende gedachte.

Denk ik dan vaak aan de Rolling Stones? Niet echt. Behalve als ze eraan komen, met hun zoveelste show. Dan ga ik, ook al ben ik allang de tel kwijt. Nieuwe nummers kwamen, de oude songs bleven. De concerten werden steeds groter van opzet. Maar voor mij bleven ze hetzelfde. Ik heb altijd opnieuw mee geschreeuwd met „I can’t get no satisfaction”. Ik heb meegehopst met Jumpin’ Jack Flash. Bij Honky Tonk Women raak ik buiten adem (dat komt eigenlijk meer door Keith, die in december trouwens ook 70 wordt). En zingt Mick de hoogste noten van Fool to cry („and it makes me wonder why...”) dan schiet ik vol. Dat gebeurt allemaal niet als ik het beluister. De Stones zijn hun optreden, en vooral Mick moet je zien. Liefst live of op film. Shine a Light noemde Martin Scorsese de film die hij in 2008 maakte over de Bigger Bang Tour. Een gladde film werd het, strikt gecontroleerd. Scorsese is hoog in de Hollywoodpikorde, maar Mick is hoger en dat merk je. Nee, dan Cocksucker Blues (1972) van Robert Frank. Die liet zich niet controleren. Zwart-wit is zijn film. Ruig. Vol geweldige stukjes show, maar ook zie je de jongens in de weer met drugs en vrouwen. Nog altijd kan de film alleen worden vertoond met expliciete toestemming van de Stones.

Altijd zette hij het podium in brand, maar aanvankelijk was Mick Jagger om te zien een nondescripte Britse bleekscheet met een slecht kapsel. Het eerste concert dat ik ooit van de Rolling Stones meemaakte was in 1973, in Rotterdam. Maar in 1969 had ik ’m in de gaten als een man op wie ik viel. Ik was dertien en zag ’m in een bioscoopjournaal, in een verslag van het concert in Hyde Park in Londen: een man in een wit mini-jurkje.

Mick Jagger is stoer genoeg om een jurk te kunnen dragen en het staat hem nog altijd – vorige maand traden de Stones weer op in Hyde Park met een soort re-enactment van dat concert, inclusief dat jurkje. Hij kan het nog altijd hebben.

Keith is een mannenman. Een vent met vrienden, vrouwen zijn bijzaak. Mick is een vrouwenman en dat zie je. Iemand met minnaressen en onechte kinderen. Een man zoals vrouwen ze graag hebben. Een man die je vriendin is. Het gaat niet om travestieten, en ook niet om homo’s. Het is een aparte soort: de vrouwelijke macho (mannen denken abusievelijk dat alle vrouwen vallen voor spierbundels, maar dat is omdat zij dat zelf spannend vinden).

Wat dat is, een vrouwelijke macho, zie je het best als Mick danst. Dat doet hij als een meisje, heupwiegend, wiebelend, zijn hals gebogen en zijn hand in zijn zij. Een man die sexy met een andere man kan dansen. Hij deed het vaak, bijvoorbeeld met Billy Preston. Met zijn gezicht dichtbij dat van zijn partner, bumpt hij heen en weer met zijn heupen tegen diens heupen. Katachtig als een griet, agressief als een kerel. Hij vervult voor vrouwen het ideaalbeeld: hij is een man en hij is als ikzelf.

Maar nu even praktisch. Mick Jagger is een wonder van afgetrainde discipline en hij blijft merkwaardig goed bij stem. Blijkbaar traint hij zijn stembanden zoals hij ook zijn buikspieren traint. Hij sprint over het rockpodium honderden meters heen en weer en zingt het afgesleten Let’s spend the night together nog altijd zo regelrecht het publiek in dat menigeen eventjes denkt dat hij haar of hem bedoelt.

En zijn hoofd? Dat wordt almaar spannender naarmate de jaren vorderen. Die wijde mond wordt steeds groter en de vouwen langs zijn neus kerven steeds dieper. Het effect is verrassend. David Bowie is nu onherroepelijk een heer op leeftijd. Mick niet. Die ís een leeftijd en de definitie van die leeftijd bepaalt hij zelf – 70, bijvoorbeeld, is een man in volle vaart, een speelse hellehond.

Zijn leeftijd temt hem niet. Tot hij erbij neervalt. Dat zit er toch echt een keer in, maar de indruk bestaat dat het in zijn geval niet gebeurt. En niemand doet hem dat na, hier Henny Vrienten niet en daar Roger Daltrey niet.

Dat Mick Jagger 70 is, geeft de burger moed. Blijkbaar hoef je niet oud te worden als je niet weet hoe dat moet.