Column

De waarde van water en het blauwe weer

Het moet nu over fonteinen gaan. De kunst van sculptuur en stromen. De kunst van het temmen van water. Coole verkoelingskunst, dat ook. Bij warm weer doen kinderen wat volwassenen wel zouden willen: erin!

In de tuin van het Rijksmuseum hebben de grote mensen eindelijk een excuus. Daar sproeit sinds kort een installatie om te zoenen. Water ruist omhoog langs de kruisende lijnen van een cirkel en een vierkant. Daalt zo’n waterlijn dan heb je 12 seconden om erin te stappen, waarna je een minuutje wordt ingesloten tussen tot boven je hoofd rijzende stralen. Zowel van buitenaf als van binnenin is het een prachtig beeld, de wereld verdeeld via water. Het is warm, veel mensen laten zich verleiden en geven zich over aan onbekommerde pret.

Veel beeldende kunst heeft aan plezier een broertje dood. Wie oproept tot schoon- en vrolijkheid wordt al snel gewantrouwd. Is het daarom dat deze fontein er anoniem bij staat? Wie heeft dit wonder gemaakt? Wat is de titel? Geen bordje te vinden, en de suppoost weet het ook niet.

Ik wil er weer in. Het water zakt, húp, nu kan het. Onwillekeurig pak ik de hand van de mevrouw naast me. Die durft niet, maar ik trek haar mee. We kennen elkaar niet en we zullen elkaar nooit meer ontmoeten. Maar nu staan we samen te giechelen.

„Dat is precies wat Jeppe wil”, zegt een opgewekte mannenstem aan de telefoon. Jeppe, dat is de Deense kunstenaar Jeppe Hein. Hij maakte dit ‘waterpaviljoen’ en noemde het Hide and see(k). Ik bel met zijn studio in Berlijn. Hij is er zelf niet, ik praat met Stephan Babendererde, aanvoerder van een ploeg van twintig architecten, ingenieurs en andere uitvoerders die Heins kunstwerken mogelijk maken: van spiegelpaleizen tot de Modified benches, parkbanken in een krul die dwingen tot oogcontact met andere bankzitters zodra je gaat zitten.

Babendererde vertelt dat Rijksdirecteur Wim Pijbes in 2007 in de Hayward Gallery in Londen Heins Appearing rooms had gezien: vier kamers van water die verschenen en verdwenen. Daarna gaf hij opdracht voor een waterwerk in ‘zijn’ tuin. „Jeppe wil de mensen bevrijden van het ontzag voor museumzalen. Hij is trots dat hij uitgerekend in de tuin van het Rijksmuseum het publiek emotioneel kan aanspreken, niet als kunstbekijkers.”

Ontbreekt daarom een bordje met naam en titel dan met opzet? Nee , zo is het niet. „Dat moet er wel bij.”

Wie een fontein maakt, wordt vaker het vermelden niet waard bevonden. Staat de fontein in Rome midden op de Piazza Navona, dan beseft iedereen dat er een kunstenaar achter zat: Bernini. Maar dan dat geweldige moderne waterwerk over het volle oppervlak van het centrale plein van Lyon. De mensen vlinderen er opgetogen tussendoor. Hoe de kunstenaar heet, kan ik nergens vinden. En als ik in Friesland aan de balie van het Museum Belvédère in Oranjewoud vraag wie verantwoordelijk is voor het kunstwerk dat bewegingen op het water sprenkelt over de volle lengte van de vaart naar de hoofdingang, dan weet niemand het. Het is van Leo Cahn, hoor ik later. Zijn naam komt erbij, het museum belooft het.

Belvédère revancheert zich met de tentoonstelling van Willem van Althuis (1926-2005). Schrijf je over hem, dan moet er altijd bij dat hij stratenmaker was. Kwestie van arbeideristische romantiek, want anders dan bij voddenboer/schilder Jopie Huisman doet het er bij Van Althuis niet toe. Je ziet hoe hij begon te schilderen vanuit een niet te temmen talent. Met een duidelijk doel (‘Friesland’), maar zonder geschoold oog. Zijn eerste doeken zijn ‘knap’ en verder zo’n beetje diepzinnig.

Hij zet dat tamme magisch realisme overboord en kiest voor zijn eigen realisme. Via huisjes en gebouwtjes (het verkleinwoord moet hier) die verstijfd staan van een overmacht aan kleur en ruimte, gaan zijn schilderijen nu over het Friese landschap. Zo groot, zo machtig. En altijd zo geselend. Lijkt een Althuis-schilderij abstract, dan schilderde hij het weer. Mist. Herfstdruil. Het schetterend blauwe weer boven de zomerse zee.

Ik zoek naar mensen. Ze moeten er zijn. Zij bouwden die huisjes, zij maaiden dat groen. Althuis schilderde er twee. Ze zitten in een schuit op het schilderij met de, weer faux-romantiek wekkende, titel Zuurkoolpakhuis Heerenveen (1970). Mensen? Starre wezentjes. Zoutpilaartjes.