De bizarre provocaties van Max Ernst

Met banale materialen maakte Max Ernst in fantastische voorstellingen het monster zichtbaar dat in het diepste wezen van iedereen schuilt.

Anti-collage. ‘Katharina ondulata’ (1920, 31,2 × 27 cm)

Nadat een conservator me heeft rondgeleid over de tentoonstelling om alle verschillende technieken aan te wijzen die Max Ernst gebruikte, kom ik even bij op het caféterras van Fondation Beyeler. Nog onder de indruk van de overweldigende creativiteit van Ernst, zet ik mijn bril af en kijk naar de romantische op een heuvel bij Basel gelegen museumtuin. Twee 180 jaar oude lindes laten hun bladerpracht wiegen in de zwoele wind van een late zomermiddag. De volle spar ernaast wiegt mee. Een donkerbruin eekhoorntje huppelt over het gras en klimt tegen de linker linde op, waar het omhoog klimt tussen de brede nerven van de stam die daardoor golvend tot leven lijken te komen. Ook de beweging van de bladeren krijgt iets bewusts, alsof de boom zelf onrustig is.

Het is de nawerking van een uur intensief kijken naar Max Ernst. Snel stoppen met kijken, voor de bladeren tanden krijgen en veranderen in groene monsters zoals op zijn schilderijen.

Het surrealistische werk van Max Ernst (1891-1976) is groots vertegenwoordigd op deze expositie met in totaal 160 werken. Naast zijn schilderijen met monsterlijke metamorfoses van bomen en planten is Het eerste heldere woord een hoogtepunt. Het is een onderdeel van de schilderingen waarmee Ernst in 1923 alle muren bedekte van de Parijse villa van zijn vriend Paul Élouard en diens vrouw Gala Djakonova – met wie Ernst een relatie had en die later met Dalí ging. Onder behang en muurverf zijn ze in de jaren zestig teruggevonden. Delen ervan hangen nu overal in musea en privécollecties. Dit fresco uit Düsseldorf laat een slanke vrouwenhand zien die tussen twee gekruiste vingers een kers klemt. De kers zit aan een touwtje dat eindigt in het achterlijf van een wandelende tak.

Max Ernst was in 1922 uit Duitsland naar Parijs verhuisd waar hij omging met André Breton, Giorgio de Chirico alle grote namen uit de surrealistische beweging, de stroming die een voortzetting was van dada dat sinds 1916 vanuit Zürich overal in Europa de gevestigde kunst te lijf ging. Ernst zelf was in 1919 samen met zijn vriend en dadaman van het eerste uur Hans Arp een van de oprichters geweest van de Keulse dada-afdeling.

Ernst maakte geniale collages die hij met schaar en snijmesjes samenstelde uit prenten uit leerboeken en oude tijdschriften. Anders dan bij de collages die Picasso en de kubisten toen sinds een jaar of tien maakten, vestigde Ernst de aandacht juist niet op de onderdelen, maar versmolt die tot nieuwe voorstellingen die zich als vanzelfsprekend presenteren. „Visitekaartjes van een tovenaar”, noemde Breton de collages.

Alsof ze gister gemaakt zijn met Photoshop, zo overtuigend zijn de collages van Ernst waarvan de expositie een groot aantal laat zien, onder andere uit zijn beeldroman La femme 100 têtes (100 klinkt in het Frans als ‘honderd’ of ‘zonder’ hoofden). Bizar en absurd en altijd intrigerend. „De collage doet de natuur geweld aan”, zegt Ernst in een documentaire die op de expositie te zien is. „Daarom was bijna iedereen ertegen.” En Ernst vervolgt op geleerde toon: „Collage is de systematische uitbuiting van het toeval of het kunstig provocerend samenbrengen van twee of meer wezensvreemde werkelijkheden op een daartoe ogenschijnlijk niet berekende plaats. Plus de vonk van de poëzie die bij het naderen van deze werkelijkheid overspringt.”

Vogels

Max Ernst is een van de veelzijdigste kunstenaars van de twintigste eeuw. Hij is geboren in Brühl, een stadje in de buurt van Keulen. Zijn vader was er schoolmeester en zondagschilder. Ernst studeerde filosofie, psychologie en kunstgeschiedenis in Bonn en schreef na zijn afstuderen theaterkritieken. Onder invloed van de lokale expressionisten begon hij te schilderen en had in 1912 een eerste expositie. In 1914 leerde hij in Parijs de vooruitstrevende kunstenaars Guillaume Apollinaire, Robert Delaunay en Hans Arp kennen, maar toen in augustus de Eerste Wereldoorlog uitbrak, moest hij het Duitse leger in. Hij vocht als artillerist in Frankrijk en Polen. Over de oorlogsjaren zei hij: „Max Ernst stierf op 1 augustus 1914. Hij keerde tot de levenden terug op 11 november 1918 als jongeman die magiër wilde worden om de mythe van zijn tijd te vinden.”

Net als Picasso en anders dan bijvoorbeeld zijn vriend De Chirico of Dalí, liet Ernst zich niet klemzetten in een bepaalde stijl: „Een schilder is verloren als hij zich vindt.” De expositie in Basel laat zijn enorme creativiteit zien door per zaal een ander tijdvak of thema te belichten, zoals de ‘bossen’ uit 1927. Ze doen denken aan het centrum van Manhattan waar de wolkenkrabbers tegen elkaar aan zijn gekropen. Ze hebben iets versteends, angstigs en onherbergzaams. Maar ze leven ook nog – wie achteloos naar binnen gaat, zal worden verdrukt.

Aan alle acht bosdoeken voegde Ernst een cirkel toe, die volgens de titels een zon voorstelt. Dat deze bossen voor Ernst ook een diepe persoonlijke betekenis hebben, maken de vogels duidelijk die op vier van de acht te vinden zijn. Ze zijn niet uitgewerkt maar op Bos, vogels en zon – de mooiste van de serie – weergegeven met aarzelende stippellijntjes als een simpele omtrek. Zowel zichtbaar als gevangen in het bos.

Vogels komen overal in Ernsts oeuvre voor. Deze intieme connectie is al jong ontstaan in de nacht dat zijn geliefde kaketoe Hornebom sterft op het moment dat in 1906 zijn zusje Loni geboren wordt. Het verdrietige jongetje Max legt voor altijd een verband tussen die twee gebeurtenissen. Op hoge leeftijd zien we hem in de documentaire nog collages maken van gevonden bladeren die hij achter platte vogelkooitjes plakt.

De huisengel

In de tweede helft van de jaren dertig schilderde Max Ernst een serie landschappen die eruitzien als mossig koraal. Hij combineert dat met een woekerende plantengroei die soms verandert in insecten en getande reptielen. Het is veelzeggend dat het Beyeler deze reeks samenbrengt met zijn sculptuur De koning speelt met de dame (1944). Het is gemaakt in een collagetechniek waarvoor Ernst afgietsels gebruikte van alles wat binnen handbereik was. Van eierkartons, melkflessen tot vrachtwagenonderdelen. „Je moet het fantastische met het banale maken”, verklaarde Ernst. Zijn koning is een met hoorns gekroonde figuur die oprijst uit het schaakbord en met zijn rechterhand de dame naar zich toeschuift. Zijn mond is rond, alsof hij schreeuwt. Zijn houding met hoekige armen straalt opstandigheid en agressie uit.

De gevolgen van die agressie zie je ook in de krioelende chaos op de groene schilderijen eromheen, waar niemand meer meester is van het spel en het leven zijn eigen vaak monsterlijke gang gaat.

Nergens heeft Ernst die gevoelens zo indringend vastgelegd als op De huisengel. Dat schilderij uit 1937 is wel Ernsts Guernica genoemd. De verschrikkingen van de Spaanse Burgeroorlog maakten niet alleen Picasso duidelijk dat de Eerste Wereldoorlog slechts een voorspel was en dat de nazi’s de wereld in chaos en pijn zouden veranderen. Dat voel je in alles bij de wilde oorlogsdans van het enorme monster met een gemuteerd paardenhoofd dat de huisengel is (als artillerist bracht Ernst zijn oorlogsjaren met paarden door). Voor een lage horizon in een leeg landschap staat het beest dreigend op één been met paardenhoef.

Voor dada en surrealisme moet je de fantasie de vrije loop laten, moet je de burgerlijke regels van de kunst overtreden. Maar ergens vrees je het monster dat zich in je diepste wezen verschuilt. Dat lijkt Max Ernst hier te willen zeggen: als de controle wegvalt, is de weg vrij voor de mooiste creativiteit, maar ook voor chaos, ellende en destructie.

Frankrijk, VS, Frankrijk

Tijdens de Duitse inval van mei 1940 woont Ernst met zijn tweede vrouw, de Britse schilderes Leonora Carrington, in het onbezette zuiden van Frankrijk. Maar als Duitser wordt hij door de Fransen opgesloten in een kamp. Als de nazi’s in 1941 het hele land inlijven, moet hij vluchten. Zijn kunst is een toppunt van entartet. Hij reist met hulp van de Amerikaanse megaverzamelaar Peggy Guggenheim – met wie hij korte tijd getrouwd is – naar de Verenigde Staten. Ze wonen in Manhattan waar hij haar helpt zoeken naar een locatie voor haar museum en waar hij tal van oude Europese bekenden ontmoet, zoals Man Ray, Breton, Marcel Duchamp en Piet Mondriaan.

Op zijn reizen door Amerika ziet Ernst in Arizona de Grand Canyon. In die omgeving herkent hij het landschap van zijn bossen. Samen met de jonge Amerikaanse schilderes Dorothea Tanning, zijn vierde echtgenote, bouwt hij een huisje in de bergen in de woestijn rond Sedona en woont daar tot hij begin jaren vijftig terugkeert naar Frankrijk.

De laatste werken van Ernst op de expositie zijn uit 1968 en 1969. Hij is dan al bijna zestig jaar actief als kunstenaar. Hij woont al weer vele jaren gelukkig samen met Tanning, eerst in de Franse streek Touraine, tussen Loire en Indre, waar hij een prachtig schilderij aan wijdt, De tuin van Frankrijk, geschilderd over een kopie van de Geboorte van Venus van de negentiende-eeuwse Franse meester Alexandre Cabanel. Ernst verft daar als op een dromerige topografische kaart rivieren overheen als blauwe banen, de liggende naakte vrouw bedekkend met groen en bruin land; één borst en haar onderlichaam en benen zichtbaar latend, maar mét een slang die hij zich tussen haar dijen laat wringen.

Sinds 1963 wonen Ernst en Tanning in het Zuid-Franse Seillans. Van de slotschilderijen in Basel heeft Lucht in water gewassen uit 1968 wel iets van een Rothko, met twee grote, blauwe kleurvlakken boven elkaar. Beide vlakken grotendeels bedekt met een wriemelig sjabloonpatroon. De altijd figuratieve kunstenaar blijft hier nu eindelijk abstract – hoewel je dat met zo’n titel bij de ook op hoge leeftijd nog altijd listige en speelse Max Ernst nooit zeker weet.

Expositie Max Ernst in Fondation Beyeler, Riehen/Basel. Dagelijks 10-17, woensdag 10-20 uur, t/m 8 sept. Catalogus (i.s.m. Albertina Wenen waar de expositie dit voorjaar was) in Duits of Engels, prijs €32,00. Inl: fondationbeyeler.ch