Taal bindt mensen – iets anders is onvoorstelbaar

Ieder mens leeft in z’n eigen wereldje, zeggen grote filosofen. durft met hen van mening te verschillen. Met dank aan zijn huilende baby.

Illustratie Tjarko van der pol

Je had erbij moeten zijn. Een peloton van tweehonderd wielrenners dendert richting finish en jij rijdt je bus klem onder de finishboog. Het overkwam Garikoitz Atxa, de buschauffeur van de Orica-Greenedgeploeg, enkele weken geleden in de eerste etappe van de Tourde France dit jaar. De organisatie was al bezig een nieuwe finish in te richten, drie kilometer eerder in het parcours, toen de chauffeur zijn bus op het nippertje vrij kreeg door de banden te laten leeglopen. NOS-verslaggever Herbert Dijkstra vroeg hem een dag later hoe hij zich voelde. „Alleen buschauffeurs begrijpen hoe ’t is om in zo'n situatie te zitten", zei chauffeur Atxa, nog altijd zichtbaar aangeslagen.

Een uitspraak op het randje van het solipsisme, de filosofische idee dat niemand in staat is buiten zijn eigen beleving te treden, waardoor ieder voor zich in een eigen onontkoombaar universum leeft – zelfs niet eens zeker is van het bestaan van anderen.

Atxa heeft dan nog wel lotgenoten in zijn universum van buschauffeurs. Maar hij lijkt ervan overtuigd dat hij daarbuiten nooit iemand zal bereiken.

Dat gevoel kennen we allemaal, bijvoorbeeld als de baas op ons foetert, terwijl we weten dat we het goed hebben gedaan en het echt niet anders kon. Zo voelt vast ook de professionele wielrenner zich die weet dat zijn sport niet zonder doping kan, maar niet weet hoe hij dit moet uitleggen, of de sportjournalist die wel weet dat ‘het zakie stinkt’, maar zich niet bij machte voelt dit aan te kaarten.

We zijn er in zulke gevallen allemaal van overtuigd dat een ander ’t wel zou begrijpen en het, zeker weten, precies zo zou hebben gedaan als hij écht in jouw schoenen had gestaan. Maar hoe leg je dat uit? Woorden schieten tekort.

Niet kreunen

Deze grens tussen enerzijds onze innerlijke beleving en anderzijds de uiterlijke wereld waarin de waarheid algemeen mededeelbaar is, vormt het gebied waar de hele filosofie van Ludwig Wittgenstein (1889-1951) om draait. ‘Hoe zou het zijn’, vraagt hij zich af in zijn Filosofische onderzoekingen ‘als mensen hun pijn niet uitten (niet kreunden, het gezicht niet vertrokken, etc.)?’ In dat geval, schrijft hij, zou je een kind het gebruik van het woord ‘kiespijn’ niet eens kunnen bijbrengen. Zelfs als ‘we aannemen dat het kind een genie is en zelf een naam voor de gewaarwording bedenkt’, dan nog zou het er niets mee opschieten: het zou ‘zich met dit woord natuurlijk niet verstaanbaar kunnen maken’. Want wat betekent het als je je pijn benoemt zonder dat iemand de betekenis van het genoemde woord verstaat?

Hoe drukken woorden in het algemeen uit wat je bedoelt? Hoe kan ik ‘het diepst van mijn gedachten’ kenbaar maken aan de wereld? Als mijn vader, die huisarts was, mij vroeg wat voor een pijn ik voelde als ik met een dikke enkel of een schaafwond van school terugkwam, dan kon ik kiezen uit ‘kloppend’, ‘stekend’, ‘scherp’, ‘dreunend’, ‘branderig’ en misschien vergeet ik er nog een paar. Nooit had ik het gevoel dat het woord exact correspondeerde met de pijn die ik voelde, maar hij wist wel wat hij vervolgens moest doen. Begreep hij dan mijn bedoeling, of ontstond mijn bedoeling pas in zijn behandeling?

Paplepel

Mijn jongste zoon, nog een baby, geeft het antwoord: als ouder gieten we de bedoelingen er met de paplepel in. Als hij brult omdat hij honger heeft, denkt hij niet ‘ik heb honger, ik zet maar eens een keel op van heb ik jou daar’. Maar samen met de woorden en daden die volgen op zijn gehuil (‘je hebt honger hè, zullen we even lekker wat gaan eten, haphaphap’), zorgen we ervoor dat zijn stuurloze gemoed een betekenis krijgt en zo gaandeweg een bedoeling. Er zijn zelfs baby's die precies hierdoor overvoed raken: ze denken dat ze honger hebben als ze huilen. Ze leren dat al hun onlustgevoelens zijn te beantwoorden met het vullen van hun maag.

We zeggen vaak van groot leed dat het ‘onvoorstelbaar’ is, omdat er ‘geen woorden voor zijn’, maar klein leed en klein geluk zijn echt niet gemakkelijker onder woorden te brengen. In deze onbenullige gevallen staat er alleen minder op het spel, waardoor we nauwelijks op merken dat het bedoelde verband tussen de situatie en de woorden die in deze situatie worden gebruikt nergens op een daadwerkelijke relatie steunt.

‘We zijn er zo aan gewend iets door middel van taal, in een gesprek, mee te delen dat het ons lijkt alsof de pointe van de mededeling erin ligt dat een ander de zin van mijn woorden – iets mentaals – vat, om zo te zeggen in zijn geest opneemt’, schreef Wittgenstein. Maar dit mentale is volgens hem niets anders dan ‘een droom van onze taal’. Niet alleen onze woorden krijgen volgens hem pas betekenis in het gebruik, zelfs het bestaan van ‘het diepst van onze gedachten’ wordt pas mogelijk door de taal.

We zitten niet opgesloten in ons eigen universum. Ons eigen, unieke ik zou er niet eens zijn zonder de algemene mededeelbaarheid van de taal, hoe gebrekkig die taal ook is.

Sterker nog, de hopeloze kreet van de chauffeur („alleen buschauffeurs begrijpen me”), maken dat zijn gevoel mededeelbaar is. Hij is juist door deze opmerking in staat ook niet-buschauffeurs van zijn unieke bestaan op de hoogte te stellen.

Wij zijn niet alleen, noch in een eenzaam universum van lotgenoten. Het is eerder andersom. We hebben onze aanwezigheid aan de taal te danken, die het bestaan van anderen impliceert en daarmee ook ons eigen bestaan. En ook al kan het vaak zo verschrikkelijk lastig zijn aan die ander ons meest persoonlijke standpunt over te brengen, bedenk dan dat we zonder die gebrekkige taal niet eens zouden weten wat dit meest persoonlijke is dat in onszelf omgaat. Zelfs als de mens geniaal is ‘van binnen’, beschikt hij niet over een privétaal waarin hij zichzelf beter uitdrukt dan in de taal die we met elkaar delen.