Gestegen welvaart niet in portemonnee

Het inkomen van Nederlandse huishoudens groeit niet mee met de economie. Een steeds groter deel van wat Nederland verdient komt niet de burgers ten goede maar collectieve zorguitgaven en pensioenen. Ook is er een groter deel naar bedrijven gegaan. Dat schrijft De Nederlandsche Bank (DNB) in een gisteren verschenen publicatie.

Het bruto binnenlands product (bbp) is in de laatste twintig jaar met 35 procent gestegen, maar het inkomen waarover huishoudens beschikken is daarbij sterk achtergebleven (zie grafiek). Vorig jaar lag dat ongeveer op het niveau van 1997, wat betekent dat de koopkracht in vergelijking met vijftien jaar geleden niet is toegenomen. Tussen 1997 en 2001 is het beschikbaar inkomen wel flink gestegen, maar sindsdien is dat weer verloren gegaan. In 1992 besloeg het beschikbaar inkomen van huishoudens 54 procent van het bbp, vorig jaar was dat nog maar 45 procent. Als het inkomen van huishoudens zou zijn meegestegen met de totale economie, zou dat vorig jaar 60 miljard euro hoger zijn geweest. Terwijl het aandeel van huishoudens is gedaald, zijn de overheid en bedrijven een groter deel gaan uitmaken van het totale netto inkomen van Nederland. Bedrijven hebben de grootste stijging doorgemaakt. In 1992 beschikten zij over 2 procent van het nationale inkomen, vorig jaar over 10 procent. Volgens DNB komt dit vooral door hogere inkomsten uit het buitenland. Verder hebben bedrijven geprofiteerd van een gematigde loonontwikkeling, lagere rentelasten en een lagere winstbelasting. Tegelijkertijd zijn bedrijven steeds minder dividend gaan uitkeren aan hun aandeelhouders. Ook op die manier hebben zij hun aandeel in het nationale inkomen vergroot, en is dat van huishoudens verkleind. Het inkomensaandeel van de overheid is de afgelopen twintig jaar gestegen van 21 procent naar 25 procent. De extra inkomsten zijn vooral opgegaan aan de stijging van de collectieve zorgkosten, waar op dit moment weer op bezuinigd wordt. Tezamen met onderwijs maakten de zorgkosten in 1992 nog 12,5 procent van het bbp uit. Vorig jaar was dat gestegen naar 17,5 procent. De pensioenpremies die werknemers en werkgevers betalen zijn in de afgelopen vijftien jaar verdubbeld, van 3 procent van het bbp naar 6 procent. Voor zowel de pensioenpremies als de zorguitgaven geldt dat deze uiteindelijk weer ten goede komen aan de huishoudens. Er is dus sprake van een herverdeling van een deel van het inkomen. Individuele huishoudens hoeven hierdoor niet noodzakelijkerwijs slechter af te zijn.