Al lang geen hopeloos land meer

In één van de armste landen van Azië is een kleine revolutie gaande De armoede in Bangladesh is in tien jaar tijd gehalveerd Belangrijkste oorzaak: goed werk van de Bengaalse hulporganisatie BRAC

Redacteur Azië

In de lobby van het 21 verdiepingen tellende hoofdkwartier van BRAC* in de Bengaalse hoofdstad Dhaka hangen bulletins aan de muur. Daarop bericht ’s werelds grootste en volgens sommigen ook beste hulporganisatie over haar nieuwste wapenfeiten: experimenten op rijst- en groenteveldjes met organische mest op basis van menselijke fecaliën uit latrines zijn geslaagd. Ook lezen we dat er een nieuwe vissoort is uitgezet.

Voor zulke experimenten haalt BRAC, dat in 1972 werd opgericht door de Bengaalse accountant Fazle Hasan Abed, haar neus niet op. Steeds zoekt de organisatie, die in Bangladesh alleen al 106.000 werknemers telt, naar nieuwe wegen om dorpelingen beter in staat te stellen voor zichzelf te zorgen. Onorthodoxe methodes schuwt zij niet. Als ze maar werken.

Veel wijst erop dat de aanpak van BRAC werkt. „De armoede in Bangladesh nam in het eerste decennium van deze eeuw bijna twee keer zo snel af als in de rest van de wereld”, sprak Salman Zaidi, chef-econoom van de Wereldbank, onlangs waarderend.

De voedselorganisatie van de Verenigde Naties, de FAO in Rome, kende Bangladesh vorige maand een onderscheiding toe, omdat het land met zijn ruim 150 miljoen inwoners er boven verwachting snel in is geslaagd het aantal mensen onder de armoedegrens (mensen met een dagelijks inkomen van minder dan 1,25 dollar) bijna te halveren, zoals eerder in VN-verband was afgesproken. Leefde in 2000 nog 49 procent van de inwoners beneden de armoedegrens, nu zijn dat er 28 procent. Niet slecht voor een land dat in de jaren 70 door Amerikaanse functionarissen nog werd weggezet als „international basket case”, hopeloos geval.

Hoewel de regering zich hierop graag laat voorstaan, is deze drastische verbetering voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door niet-gouvernementele hulporganisaties als BRAC en de Grameen Bank, de organisatie van Nobelprijswinnaar Muhammad Yunus, die zich op microkredieten voor plattelandsvrouwen toelegt. „Bangladesh onderscheidt zich vooral door zijn ngo’s, met name BRAC”, zegt Debapriya Bhattacharya, een voormalige VN-diplomaat die nu is verbonden aan het Centre for Policy Dialogue, een denktank in Dhaka.

Een kleine toiletrevolutie

De bewoners van Anzabar, een dorpje op zo’n vijftig kilometer van Dhaka verstopt onder palmbomen aan het einde van een onverhard weggetje, kunnen erover meepraten. Daar heeft zich, met dank aan BRAC, een kleine toiletrevolutie voltrokken. Bijna elk gezin beschikt er nu over een latrine. BRAC bracht de vrouwen in het dorp bijeen en liet hen vervolgens zelf uitmaken wie zo’n toilethokje uit eigen middelen kon betalen en wie niet. Voor die laatste categorie was hulp beschikbaar.

„Gelukkig hoeven we nu niet langer in de bosjes rond te scharrelen”, zegt Shuli, een vrouw met een bruin gewaad die met enkele tientallen vrouwen een aantal lopende zaken bespreekt onder een afdak, buiten bereik van de verzengende hitte van de zon.

Shuli: „Het is vooral voor vrouwen heel prettig privacy te hebben op het toilet en bovendien worden we allemaal minder vaak ziek.”

Zo mogelijk nog belangrijker: alle jonge kinderen gaan naar school. Trots vertellen de vrouwen dat hun dorpje het op dat terrein wint van andere dorpen in de omgeving. In een nietig schoolgebouwtje, gemaakt van golfplaat, krijgen kinderen les van getrainde onderwijzeressen en met eigen leermethodes en lesmateriaal. Rijk is het leven in het boerendorp nog altijd niet. Het ontbreekt aan elektriciteit en stromend water, maar de tijden van honger lijden zijn voorbij.

Door de jaren heen is BRAC uitgegroeid tot een enorm conglomeraat, dat duizenden schooltjes voor de armste kinderen op het platteland bestiert, eigen vaccinatiecentra voor mensen en vee heeft en ook theeplantages, kledingwinkels en een particuliere universiteit.

De BRAC-bank is een begrip, niet alleen voor microkredieten voor plattelandsbewoners, ook voor commerciële klanten. BRAC heeft bovendien een omvangrijke zorginfrastructuur opgezet. Miljoenen Bengalen kunnen met hun klachten terecht bij meer dan 100.000 vrijwilligers, die door BRAC zijn getraind.

„We ontdekten al snel”, zegt Kazi Nazrul Fattah, manager van een van de BRAC-programma’s die erop zijn gericht dat de gemeenschap haar lot in eigen hand neemt, „dat alleen financiële hulp niet genoeg is. Zonder elementaire voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg komt de ontwikkeling niet van de grond. We proberen de mensen ook tot een collectief te smeden dat in staat is voor zichzelf te zorgen.”

Die doctrine geldt grosso modo ook voor BRAC zelf. Voor driekwart financiert BRAC al haar activiteiten zelf. Het overige geld komt van buitenlandse donoren. Dat er met eigen inkomsten, onder meer van de bank (miljoenen kleine kredieten aan plattelandsbewoners worden met een stevige rente afbetaald) en de universiteit, zo veel kan worden gedaan, is mede te danken aan het feit dat BRAC zuinig opereert. Ze betaalt lokale salarissen, geen expat-beloningen en ze laat volgens de organisatie personeel niet in dure Landrovers reizen, het favoriete vervoersmiddel van veel westerse hulpverleners.

Concurrent voor de regering

Volgens sommige critici heeft BRAC zich ontwikkeld tot een regelrechte concurrent van de regering in Bangladesh, die nog altijd heel veel steken laat vallen, mede door wijdverbreide corruptie. Woordvoerders ontkennen dat BRAC de regering verdringt. „Sinds 2011 streven we er juist nadrukkelijk naar aanvullend te zijn aan wat de regering doet”, zegt Fattah op het hoofdkwartier in Dhaka. „Waar de regering gaten laat vallen, proberen wij hulp te bieden.”

Zorgvuldig mijden BRAC-functionarissen kritiek op de regering. Ze weten dat wie politici tegen de haren in strijkt, dat kan bezuren. De Grameen Bank van Yunus hangt nu bij voorbeeld gedeeltelijke nationalisatie en opsplitsing in negentien kleine bankjes boven het hoofd. Voornaamste reden: premier Sheikh Hasina heeft Yunus nooit vergeven dat hij in 2009 bereid was samen te werken met de militairen die haar gevangen hadden gezet. Ook wilde hij een eigen politieke partij opzetten.

BRAC daarentegen weet zich niet alleen de politici van het lijf te houden, maar is ook effectief in de uitvoering haar programma’s en projecten. The Global Journal, een Amerikaans-Zwitsers blad over bestuur, zette BRAC dit jaar bovenaan een lijst van honderd ngo’ s in de wereld. BRAC combineert volgens het blad het beste invloed, innovatie en duurzaamheid.

Maar het werk is nog lang niet af. Uit evaluaties bleek dat de allerarmsten in Bangladesh nog altijd weinig profiteren van de ontwikkeling. Om in aanmerking te komen voor microkredieten moeten bewoners zich in kleine coöperatieve groepen organiseren. Maar wie helemaal niets bezit en ook geen enkele opleiding heeft, wordt door de andere dorpsbewoners al gauw gepasseerd, zo bleek. Daarom wil BRAC zich de komende jaren nog sterker op de allerarmste groepen richten en zich geleidelijk aan terugtrekken uit de iets welvarender districten.

Dat betekent niet dat bewoners in streken met iets minder schrijnende armoede het allemaal al makkelijk zelf kunnen rooien. Vaak lopen die tegen een muur op. Zoals de moeder in het dorpje Shingdigi, die klaagde dat ze haar zoon voor relatief veel geld een middelbare schoolopleiding had laten afronden. „Wat heeft het voor zin gehad”, vraagt ze. „Om hem een goede baan te bezorgen op een kantoor, moeten we mensen voor veel geld omkopen en dat hebben we niet.”

Voor dat probleem heeft BRAC niet onmiddellijk een pasklare oplossing.