Aarzelen over Israël

Ruim een half jaar geleden was de net aangetreden minister Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA) in zijn eerste brief aan de Tweede Kamer over het voorgenomen Midden-Oostenbeleid nog zo helder over van de bezette gebieden afkomstige producten. Die zouden niet mogen worden ingevoerd met misleidende ‘Made in Israel’-etiketten en ook niet mogen vallen onder de voor Israël geldende gunstige, preferentiële, invoertarieven.

Enkele maanden later herhaalde Timmermans zijn voornemen in de Tweede Kamer. Het al eerder binnen de Europese Unie overeengekomen beleid, dat nog gefiatteerd werd door de vorige minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal, zou verder binnen de EU worden uitgewerkt. Vervolgens werd het op het Europese niveau duwen en trekken, als ware het het vredesproces in het Midden-Oosten zelf. Een conceptrichtlijn van het ministerie van Economische Zaken met aanwijzingen voor het bedrijfsleven verdween ijlings van de website van het departement. Er moest gewacht worden op Brussel. Deze week schreef minister Timmermans dat het kabinet met EU-partners „werkt” aan „voorlichting over correcte etikettering van producten uit nederzettingen”. Maar getuige een brief van EU-buitenlandvertegenwoordiger Catherine Ashton eerder deze maand, waarover de Israëlische krant Haaretz beschikt, is zij van plan de zaak weer over te laten aan de afzonderlijke EU-lidstaten. Als het aan haar ligt komt de Europese Commissie later dit jaar met deels niet-bindende richtlijnen over de behandeling van producten uit de bezette gebieden. Inmiddels hebben in Nederland in elk geval twee supermarktketens, Jumbo en Hoogvliet, besloten niet langer te wachten. Huismerkproducten mogen niet uit de bezette gebieden komen. De grootste kruidenier van Nederland, Albert Heijn, wacht op aanwijzingen van het overkoepelende Centraal Bureau Levensmiddelenhandel. En deze organisatie wacht weer op een standpunt van het kabinet. Minister Timmermans stelt terecht dat het initiatief onder leiding van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Kerry op dit moment „het enige realistische perspectief” biedt op voortgang van het vredesproces. De eigen verantwoordelijkheid voor de EU ligt volgens hem in het „vergroten van het internationale momentum” voor dat Kerry-initiatief. Eén van de middelen daartoe is dat de EU voorgenomen beleid nakomt. Bijvoorbeeld ten aanzien van het juist benoemen van producten uit de bezette gebieden. Dat geldt ook voor afzonderlijke lidstaten. Het Nederlandse kabinet kan direct met richtlijnen komen.