Vlaming soms te Hollands

Het is natuurlijk vervelend als je een Vlaming bent en je hoort steeds maar – van Nederlanders – dat je zo’n schattig taaltje spreekt. Maar hoe is het andersom? Vlamingen vinden niks schattigs aan hoe Nederlanders praten. Sterker nog: ze horen het niet graag. Een Nederlander die bij de Vlaamse publieke omroep ging werken, volgde dictielessen: hoe Vlaamser hij klonk in zijn reportages, hoe beter het was.

„Ik kan dat Hollands niet aanhoren”, zei een kleuterjuf toen ik haar een keer vroeg of ze weleens naar de shows van Paul de Leeuw keek, op de Vlaamse commerciële zender VTM. Ik schrok niet, ik wist dat mijn dochtertje in haar klas de gewenste taal beheerste en het was zeker niet de eerste keer in België dat ik Vlamingen – bijna Hollands? – bot hoorde zijn.

Er is een Vlaming die bij ons over de vloer komt en elk jaar na de zomervakantie vertelt hoe zwaar het is om in Italië met Nederlanders op een camping te staan. Het is plezant dat de kinderen elkaar kunnen verstaan en dus samen spelen. Maar wil je je eigen kinderen dan bij de barbecue ’s avonds van die typisch Hollandse zinnetjes horen zeggen als: ‘Nou, papa, weet je..’? Nee.

Maar ieder heeft recht op zijn eigen noordelingen. De Franstaligen in het zuiden van België hoor je niet klagen over de taal van de Vlamingen – meestal schamen ze zich omdat ze zelf lang niet zo goed Nederlands spreken als de Vlamingen Frans. Maar ze vinden Vlamingen wel vaak heel direct, op het onbeleefde af. En ook veel te serieus en zuinig.

In Brussel zaten ouders en kinderen van het zesde leerjaar (groep 8) laatst met zijn allen in een restaurant. De leerlingen hadden net hun getuigschrift gekregen van een Nederlandstalige basisschool.

Bij de uitreiking had de docent gezegd hoe ‘mondig’ en ‘levendig’ de klas was geweest. Iedereen wist: dat was géén compliment. Ze had liever ‘flinke’ leerlingen die niet ‘babbelen’ in de rij, want zo hoort dat: zwijgend stappen de leerlingen ’s ochtends in een rij vanaf het schoolplein naar de klas. Maar vooruit, zei de juf, er was ook goed gelachen dit jaar en ze zou de kinderen hard gaan missen.

Aan de tafels na afloop zaten in overgrote meerderheid Franstalige vaders en moeders die graag willen dat hun kind Nederlands leert en dus meer kans heeft op een baan in het officieel tweetalige Brussel. Maar of ze dan ook de gewoontes van de Nederlandstaligen moeten overnemen? Liever niet.

Een Vlaamse moeder die niet had meegegeten, kwam er voor de gezelligheid nog even bij zitten en dronk een glas wijn. Maar ze werd wel meegeteld toen kort daarna de rekening gedeeld moest worden. „Ik wil mijn wijn wel betalen”, zei ze tegen de Franstalige moeder die naast haar zat. „Maar vind jij dat ik ook voor het eten van de anderen moet betalen?”

De Franstalige vrouw wist zich geen raad, ze kwam niet goed uit haar woorden. „Zeg het maar”, zei de Vlaamse. „Wat vind jij?” Er kwam geen antwoord.

De Vlaamse moeder zei later tegen mij: „Zij vinden ons.. eh.” Toen hield ze op. Maar ik wist het al: Hollanders.