Vijftig tinten groen

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft wekelijks over wat haar opvalt.

Ik verschans me met mijn laptop en mijn kroost bij het zwembad. Illustratie Eliane Gerrits

Juli loopt ten einde en nog altijd zijn we niet op de helft van de Amerikaanse Mega Kindervakantie. De aanloop begon op Memorial Day, traditioneel de laatste maandag in mei. Mei! Hij zal eindigen op Labor Day, de eerste maandag in september. September! En dit geldt voor openbare scholen. Privéscholen, waar je meer betaalt maar minder krijgt, sturen kinderen nog langer het bos in.

Ouders, die hier zelf voor het contrast nauwelijks vakantie hebben, zitten ’s zomers dan ook met hun kroost in de maag. De meeste kinderen zwerven van kookkamp naar wiskundeweek tot tennistoernooi. Sommigen worden de eerste de beste vakantiedag meteen voor de hele periode op pad gestuurd. Meestal mag er niet met de ouders gebeld worden. Voor veel kinderen is dat een heimweehel, hoewel de ouders die massaal in het complot zitten natuurlijk beweren dat het goed voor hen is. Leerzaam en reuzeleuk.

Minder gefortuneerde kinderen moeten het deze maanden doen met een zwembadabonnement dat permanent aan een touwtje om hun nek bungelt. Elke dag krijgen ze een paar dollar mee voor een pizza, een sandwich en, vooruit het is vakantie, een zakje M&M’s. Deze kinderen hebben het misschien nog het best, zeker nu er een serieuze hittegolf uitgebroken is. De oostkust van de Verenigde Staten lijkt verlamd. In New York City smelt het asfalt.

Zomer in de stad is een naar afval en urine stinkende hel. Men loopt zoveel mogelijk aan de schaduwkant van de straat. Puffende dikke mensen zijgen hijgend op bankjes neer, waar ze met een rietje hun supersized colabeker – zo een die de burgemeester wil verbieden – leegzuigen. Mannen kijken jaloers naar vrouwen voor wie het de hele week rokjesdag is. Voor hen zijn het ‘drie-overhemdendagen’: drie keer per dag een tot op de draad doorweekt hemd in de wasmand gooien.

Terugkerend vanuit de stad naar Princeton ervaar ik de natuur als een schaal overrijp fruit. Uit hun krachten gegroeide bladeren hangen zwaar aan de bomen. Gras, fluitenkruid, riet en bamboe tieren welig. Om mij heen zie ik wel vijftig tinten groen.

Krekels lijken massaal een kibbelend echtpaar op vakantie na te bootsen. Je hebt het gas niet uitgedraaid. „Welles, nietes, welles...” Vogels proberen daar uit alle macht bovenuit te kwetteren, ze weten dat het bekvechten nooit ophoudt. ’s Avonds tegen een uur of negen, als het eindelijk een beetje afkoelt, scheren de vleermuizen in zigzagbewegingen laag over de grond. Ze raken me net niet. In het donker komen de vuurvliegjes. De mannetjes verleiden met hun lichtkorfjes de vrouwtjes. „Kies mij uit talloos veel miljoenen. Ik ben de ware voor die paar dagen dat we nog leven.” Ik waan me in een jungle in mijn eigen tuin.

Voor ons geen zomerkampen of verplichte activiteiten. Op zijn Hollands is hier vakantie echt vakantie, ook al duurt het een kwartaal. Ik verschans me met mijn laptop en mijn kroost bij het zwembad. Buurtkinderen lopen in en uit. De hond springt het water in en zwemt vrolijk mee. Liters ijsthee gaan erdoorheen. Ochtenden worden middagen worden avonden. Lange lome dagen gaan ongemerkt in elkaar over. September is een stad op een andere planeet.