Orthopeden haten concurrentie

Nederlandse orthopeden verbieden vergoeding voor een operatie in België die zij zelf als vrijwel de enigen in de wereld niet doen. Geen markt, vindt Hans Polak.

Illustratie Pavel Constantin

Jaarlijks hebben zo’n 25 000 Nederlanders een nieuwe heup nodig. Steeds meer mensen gaan naar België of Duitsland, schreef Frederiek Weeda vorige week (NRC, 18 juli). Dat komt ook doordat Nederlandse specialisten een minder ingrijpende behandeling niet meer willen uitvoeren.

Toen ik last kreeg van mijn door artrose geteisterde heup, moest ik naar het Belgische Gent om te voorkomen dat mijn hele heup zou worden vervangen. Ik kreeg daar een herbekledingsoperatie (resurfacing). Dan wordt alleen het versleten oppervlak in de kom van het bekken en van de heupkop vervangen door een in elkaar passende kop en kom van metaal. De stabiliteit is groter dan bij een geheel nieuwe heup, er is veel minder kans op beenlengteverschil, en er kan later, indien noodzakelijk, altijd nog een klassieke heup worden geplaatst. Dat is dan veel gemakkelijker dan vervanging van een reeds aangebrachte kunstheup die maar een beperkte levensduur heeft. Vooral voor jonge patiënten is dat handig.

Maar de Nederlandse Orthopaedische Vereniging besloot begin 2012 haar leden te adviseren de herbekleding niet meer toe te passen. Deze methode was in 2010 in een kwaad daglicht komen te staan toen bleek dat de ASR-implantaten van de firma De Puy (een onderdeel van Johnson&Johnson) soms narigheid opleverden. Door wrijving kwamen metaalionen in het bloed van sommige patiënten terecht, waardoor pseudotumoren konden ontstaan, die weliswaar niet kwaadaardig waren, maar toch tot grote problemen en soms heroperatie kunnen leiden. In 2010 haalde de De Puy de ASR heup van de markt, maar pas in 2012 deden de Nederlandse orthopeden alle metaal op metaal implantaten in de ban – waarop de meeste zorgverzekeraars de vergoeding staakten.

Gelukkig zijn er nog andere, goede protheses op de markt en had mijn zorgverzekeraar VGZ nog een contract met dr. Koen De Smet in Gent die geldt als een ‘werelddokter’ in deze bot besparende ingreep. Mirjam Davidson had namens VGZ uitgelegd waarom deze zorgverzekeraar de herbekleding door De Smet nog wel vergoedde: „We willen de groep jonge patiënten met heupartrose niet in de kou laten staan. Juist zij komen voor deze protheses in aanmerking. Zij kunnen in Nederland niet meer terecht. De resultaten van De Smet met deze protheses zijn goed, beter dan die van Nederlandse orthopeden.”

Op dezelfde dag dat ik in februari van dit jaar, samen met vier andere Nederlanders, in de wachtkamer van dr. De Smet zat, haalde de voorzitter van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging, prof. Jan Verhaar, fors uit naar VGZ: „Dit beleid valt echt niet uit te leggen. Nadat de problemen met de metaal op metaal-protheses ontstonden hebben we als orthopeden goed nagedacht, uitgebreid overleg gehad en besloten om deze niet meer toe te passen. En dan bepaalt een of andere meneer van een verzekeraar om dit wel toe te staan.”

Verhaar werd op zijn wenken bediend, want een week voordat mijn operatie plaats zou vinden belde de assistente van De Smet dat die niet meer door kon gaan, omdat VGZ die niet meer zou vergoeden. Nadat ik eerst bij de klachtencommissie en ook bij een woordvoerder van VGZ me over deze handelwijze beklaagd had, besloot de zorgverzekeraar de behandeling ‘coulancehalve’ alsnog te vergoeden.

De zorgverzekeraars laten zich de wet voorschrijven door deze specialisten die zich gedragen als monopolisten. Zij bepalen welke methoden gebruikt mogen worden en schakelen buitenlandse concurrenten uit.

De Nederlandse orthopeden staan zo goed als alleen in hun afwijzing van metaal op metaalprotheses. Alleen de Denen maakten ook een pas op de plaats.

Australië , dat al sinds 1999 alle heupoperaties in een register bijhoudt, wil geen afscheid nemen van herbekleding. Dr .Joshua Jacobs, president van de American Academy of Orthopaedic Surgeons (17.000 leden, die jaarlijks 250.000 heupen doen) zegt desgevraagd; „Wij zetten ons in voor de veiligheid van de patiënt. We gaan in Amerika gewoon door met resurfacing omdat de gegevens uit registers overeenkomen met de gegevens uit verschillende studies, en die geven een vergelijkbaar goed resultaat voor bepaalde patiëntenpopulaties en bepaalde protheses.” Dr. Raimund Voelker, hoofd van een heupkliniek in München, waarschuwt dat je wel een ervaren chirurg nodig hebt. Bij sommige ‘hoog complexe’ operaties gelden normen voor het minimum aantal ingrepen dat men per jaar verricht om patiënten te mogen behandelen. Wat in andere medische specialismen al gebruikelijk is – borstkanker bijvoorbeeld mag alleen daar behandeld worden waar men veel ervaring heeft – lijkt bij de orthopeden onbespreekbaar.

Toen de marktwerking in de zorg in 2005 werd gelanceerd was de gedachte dat concurrentie de prijzen zou verlagen. De orthopeden lijken de concurrentie het liefst de nek om te draaien. Niet alleen door Nederlandse ervaren chirurgen niet in staat te stellen om herbekleding uit te voeren, maar dat ook buitenlandse collega’s als De Smet te verbieden. Ze schreeuwen moord en brand als een zorgverzekeraar zorg in het buitenland vergoedt die zijzelf als praktisch de enigen in de wereld niet willen leveren. In België is wel concurrentie. Er worden meer orthopeden opgeleid dan in Nederland, met als gevolg kortere wachtlijsten, meer soorten behandeling en lagere prijzen.

In België , kopte NRC „is de patiënt koning, ook als hij uit Nederland komt”. In Nederland is de orthopeed koning.

Hans Polak is documentairemaker