‘Mens trok pas laat ten oorlog’

Meer dan 11.000 jaar geleden was de mens niet zo oorlogszuchtig, menen twee Finse onderzoekers. Doden vielen vooral binnen de eigen groep.

Een groep bewapende aboriginals voert een rituele dans uit. De foto is in de jaren dertig op het Australische Palm Island genomen. Foto Corbis

Heeft Homo sapiens altijd oorlog gevoerd? Of had Rousseau gelijk en is oorlog, met privébezit en staatsdwang, een euvel van de moderne beschaving? In het tijdschrift Science van vorige week vrijdag bestrijden de Finse onderzoekers Fry en Söderberg dat oorlogvoering zich heeft ontwikkeld uit agressie van vroege jagers en verzamelaars tegen naburige zwerfgroepen.

Sinds de baanbrekende studie War before Civilization (1996) van de Amerikaanse archeoloog Lawrence Keeley houden de meeste onderzoekers aan dat in de prehistorie een kwart van de volwassen mannen door oorlogsgeweld aan zijn eind kwam. Die conclusie stoelt op archeologisch onderzoek aan wapens, resten van versterkingen en menselijk gebeente. Maar de onderzochte versterkingen en begraafplaatsen zijn niet ouder dan 10.000 jaar. Toen begon de overgang van jagen en verzamelen naar tuinbouw en ontstonden semipermanente nederzettingen.

Voerden de nomadische jagers en verzamelaars uit de tijd daarvoor (het Pleistoceen) ook oorlog? Archeologische vondsten geven geen uitsluitsel. Speer- en pijlpunten kunnen wijzen op jacht én oorlog. Schilden, dé aanwijzing voor oorlogvoering, waren van hout of huiden en zijn vergaan.

In dit debat wordt vaak verwezen naar ‘eigentijdse’ jagers en verzamelaars, die sinds de 19de eeuw door antropologen zijn bestudeerd. De Amerikaanse antropoloog G. P. Murdock stelde in 1969 een steekproef samen van 186 samenlevingen die goed zijn beschreven en die een beeld geven van de wereldwijde culturele verscheidenheid. Daaronder zijn 21 groepen van zulke eigentijdse, nomadische jagers en verzamelaars. Fry en Söderberg bekeken voor die 21 volken alle 148 gerapporteerde conflicten waarbij doden vielen.

Het aantal dodelijke geweldsincidenten per volk liep uiteen van 0 tot 69. Het record, 69, kwam voor rekening van de Tiwi, bewoners van twee eilanden voor de noordkust van Australië. Fry en Söderberg noemen de Tiwi een ‘extreem geval’.

Bij iets meer dan de helft van de 148 geweldsbeschrijvingen ging het om één dader en één slachtoffer. Dat is volgens Fry en Söderberg moord of doodslag, niet ‘doden in coalitie’, wat zij beschouwen als een van de kenmerken van oorlog.

In 23 procent van de gevallen deden meerdere personen mee aan het doden van één individu en bij 22 procent doodden meerdere personen meerdere mensen. Maar als dit binnen de groep gebeurt, kan het ook om een familievete gaan.

En dat gebeurde vaak, zo blijkt: ruim een derde van de conflicten speelde zich af binnen de lokale groep: tussen broers, tussen vader en zoon, man en vrouw, vrienden, clangenoten. En geweld binnen de groep, zeggen Fry en Söderberg, is geen oorlog. In de meeste gevallen werd er gedood uit persoonlijke motieven: een vrouw, wraak, twisten over diefstal, belediging of incest.

Een derde van de incidenten betrof conflicten tussen leden van verschillende groepen, volgens de auteurs een ander kenmerk van oorlog. Liefst 75 procent van die conflicten werd uitgevochten door Tiwi. Fry en Söderberg concluderen dat nomadische jagers en verzamelaars niet bijzonder oorlogszuchtig zijn.

De Israëlische historicus Azar Gat, auteur van het standaardwerk War in Human Civilization (2006), heeft bezwaren tegen de door Fry en Söderberg gebruikte steekproef. „In Murdocks selectie van nomadische jagers en verzamelaars,” schrijft hij per e-mail. „zitten maar twee Australische groepen, waaronder de Tiwi, volgens Fry en Söderberg een extreem geval. Maar voor de studie van jagers en verzamelaars is Australië juist een uniek laboratorium. Het is het enige continent waar dit samenlevingstype zich heeft gehandhaafd in alle ecologische en klimaatzones, zonder enig contact met landbouwers en herders. Elders werden zij door zulke groepen verdrongen naar droge gebieden. Met als gevolg zeer lage bevolkingsdichtheden, die atypisch waren voor het Pleistoceen, toen mensen vooral de rijkste natuurlijke milieus bewoonden.

„Verder zijn de meeste jagers en verzamelaars buiten Australië bestudeerd in het midden van de 20ste eeuw, toen er in hun gebieden al sprake was van staats- en politioneel gezag. Dat was nog niet het geval bij de Australische Aboriginalvolken die zijn beschreven aan het eind van de 19de eeuw. Zij voerden intensief oorlog. En dat was niet uitzonderlijk, het was de regel.”