Fluisterzachte op-art uit Friesland

Willem van Althuis, ‘Station in Dronrijp’, 1973. Olieverf, 30 × 50 cm.

Willem van Althuis. T/m 1 sept in Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12, Heerenveen-Oranjewoud. Inl: museumbelvedere.nl

Soms had hij er schoon genoeg van, want het werd in ieder stuk over hem en zijn werk vermeld. Maar het was waar: de Friese schilder Willem van Althuis (1926-2005) combineerde het kunstenaarschap jarenlang met zijn werk als stratenmaker bij de gemeente Heerenveen. In de schaftkeet werd hij door collega’s gekscherend Rembrandt of Van Gogh genoemd. Maar wat hij in die tijd maakte, doet eerder aan het werk van naïeve schilders denken. Precies gepriegelde dorpsgezichten en landschappen, op den duur wel eens gestileerd tot iets new age-achtigs. Onopvallende amateurkunst. Tot hij begin jaren zeventig vanwege een versleten rug in de ziektewet terechtkwam en zich volledig aan zijn schilderijen kon wijden. Daar werden die schilderijen een heel stuk beter van. Van Althuis werd pas echt schilder toen hij stratenmaker af was.

Het verhaal van zijn ontwikkeling is door Susan van den Berg helder te boek gesteld in de monografie Willem van Althuis – Achter de horizon. Ter gelegenheid van de publicatie heeft het Museum Belvédère bij Heerenveen een flinke tentoonstelling aan Van Althuis gewijd. En ook daar blijkt duidelijk wat er rond 1973 in zijn werk verandert.

Het kneuterige gaat eraf. De composities worden strakker en eenvoudiger, de landschappen leger, de kleuren subtieler en spannender. Van Althuis legt een grote gevoeligheid voor stemming aan de dag. Zijn Station in Dronrijp (1973) staat wit en met gesloten ramen en deuren op een groen-blauw land onder een vreemd oranjegele lucht. Het schilderij is magisch-realistischer dan alle Willinks bij elkaar. Uit hetzelfde jaar dateert een abstracte vertaling, waarin het groenige blauw een horizontale baan is geworden tussen twee grote oranjegele vlakken, waar naar boven en onder toe weer iets van dat blauw doorheen is gemengd.

Tussen 1972 en 1975 maakte Van Althuis vier keer zo’n ‘paartje’ van een figuratief schilderij met zijn abstracte vertaling. De tweelingschilderijen waren zo’n succes dat hij er alras weer mee ophield. „Het moet geen maniertje worden”, zei hij. Maar nadien bleef hij altijd zowel figuratief als abstract schilderen. Niet in paartjes, maar wel door elkaar. Het abstracte werk is meestal sterker.

Zolang er een horizontale baan in voorkomt, heeft zo’n abstracte compositie nog iets met de landschappen te maken: zie bijvoorbeeld de vertaling van het stationschilderij. Soms is de baan onscherp en wit tussen twee zilvergrijze of blauwe vlakken. Dan denk je aan een streep mist boven het platteland. Soms is het omgekeerd, dan is de baan donker en wordt ze naar onder en boven steeds lichter. Dat ziet eruit als twee witte bladzijden in een open boek, die verdwijnen in de schaduw van de rug. Je wordt erin gezogen, al zet je je nog zo schrap. En dan zijn er abstracte composities waarin geen horizon meer te bespeuren valt, met diagonalen, stervormen en andere patronen. Ze hebben nog wel iets mistigs, die vormen. Van dichtbij merk je ze niet op, maar van een afstand maken ze zich uit het blauw of grijs los. De overgangen zijn waarneembaar, maar niet aan te wijzen. Fluisterzachte op-art is het, in subtiel opgebouwde grijzen en blauwen. Je moet het in het echt zien, hoe goed de reproducties in het boek ook zijn.

Zijn de composities herkenbaarder landschappelijk, dan wordt het wel eens kitscherig. Boompjes in de nevel, een kerstkaartachtig dorpsgezicht met sneeuw. Maar daar tegenover staat een reeks van ruim twintig ‘pakhuisjes’, geschilderd tussen 1976 en 1990 (in het museum zijn er veertien te zien). Het zijn variaties op een thema. Steeds dezelfde compositie met steeds hetzelfde eenvoudige gebouw in Laaxum, onder telkens verschillende weersomstandigheden en misschien ook in verschillende seizoenen. Maar zomers en zonnig is het nooit. Onder Van Althuis’ handen werd ieder motief koel en kaal, leeg en stil. Hij was stratenmaker en winterschilder.