De islamitische van M.C. Escher inspiratie

M.C. Escher werd sterk geïnspireerd door islamitische kunst Die inspiratie is altijd onderbelicht gebleven Exposities in Amsterdam en Den Haag brengen daar verandering in

Kom uit Iran, ca. 1200 Gemeentemuseum Den Haag

redacteur kunst

MC. Escher is zo’n kunstenaar van wie je het meeste wel denkt te weten. Escher (1898-1972), dat is die tekenaar die vissen in vogels kon laten veranderen. Die labyrinten verzon vol onmogelijke trappetjes waar je ogen hopeloos in verdwalen. Die zijn prenten baseerde op wiskundige vormen als de Necker-kubus of de Penrose-driehoek en daar vooral in de VS veel succes mee oogstte. En die lange tijd in Italië woonde, waar hij zijn inspiratie voor torentjes en kruip-door-sluip-doorsteegjes opdeed.

Maar dat Escher zich ook door islamitische kunst heeft laten beïnvloeden, is minder bekend. Daar moeten twee tentoonstellingen, in het Amsterdamse Tropenmuseum en Museum Escher in het Paleis in Den Haag, verandering in brengen. In 1922 en 1936 maakte Escher per vrachtschip vanuit Italië reizen naar het Spaanse Andalusië, waar hij in Granada en Cordoba de Moorse architectuur van het Alhambra en de Mezquita bewonderde. Hij maakte er schetsen van de complexe mozaïeken en tegelpatronen – vlakvullingen die schijnbaar eindeloos herhaald konden worden. „Het was wonderlijk oosters”, schreef hij in zijn dagboek. „Het vreemde was de grote rijkdom der versiering en de grote waardigheid en eenvoudige schoonheid van het geheel.” Vele jaren later noemde Escher de vlakvullingen „de rijkste inspiratiebron die ik in mijn leven ben tegengekomen”.

Tot in het oneindige

De ingewikkelde Moorse tegelpatronen moeten voor Escher een feest van herkenning geweest zijn. In het voorjaar van 1922, een half jaar voordat hij voor het eerst Andalusië bezocht, had Escher zelf zijn eerste vlakvulling gemaakt: Acht Koppen, een houtsnede met acht mannen- en vrouwenkoppen die op vernuftige wijze met hun haren aan elkaar vergroeid zijn. En hoewel Eschers koppen heel figuratief getekend waren, zaten ook die zo knap in elkaar dat ze in theorie tot in het oneindige vermenigvuldigd konden worden – tot bijvoorbeeld een wandvullend behang.

„Het gekke is”, zegt conservator Micky Piller van Museum Escher in het Paleis, „dat Escher na zijn eerste reis in 1922 veertien jaar niets met zijn bevindingen heeft gedaan. Pas na zijn tweede reis ging hij fanatiek met die vlakvullingen aan de slag. In 1937 wees zijn broer Berend, die geoloog was aan de Universiteit Leiden, hem op enkele artikelen over de mathematische achtergrond van de patronen”.

In de artikelen las Escher over patroonvorming, over rasters en symmetrie. Hij experimenteerde met de zeventien symmetriesystemen die er bestaan – precies dezelfde systemen die de islamitische kunstenaars eeuwen geleden ook voor hún ontwerpen gebruikten. Net als de Moorse ambachtslieden gebruikte Escher daarbij louter een passer en een liniaal. Alleen verving hij de abstracte vormen door mens- en dierfiguren. Hij liet blokjes uitgroeien tot huizen, en veranderde zeshoekige tegels in honingraten waar vervolgens weer bijen uitkropen. Zo ontstonden vanaf 1937 zijn wereldberoemde Metamorfose-panorama’s.

Mathematische principes

Op de tentoonstellingen in Den Haag en Amsterdam zijn veel voorbeelden van islamitische kunst – bruiklenen van onder meer het Haags Gemeentemuseum en het Londense Victoria and Albert Museum – die Escher nooit gezien kan hebben, maar die toch opmerkelijke overeenkomsten vertonen omdat ze op dezelfde mathematische principes berusten. Piller wijst op een tiende-eeuwse schotel uit Oost-Iran: „Daarop staan precies dezelfde knopen als Escher in 1965 tekende.”

Ook opvallend is de gelijkenis tussen Eschers achthoekige houtsnede Levensweg I uit 1958 en een twaalfhoekige blauwe Iraanse tegel uit de vijftiende eeuw. Bij Escher zwemmen er gemeen kijkende pijlstaartroggen rond in een soort draaikolk van cirkels die steeds kleiner worden naarmate het hart van de compositie is bereikt. Bij de Iraanse tegel is het een decoratief bloemenpatroon dat vanuit het hart van de tegel groeit. „Bij Escher zit er meer diepte in, hij is meer 3D”, zegt Piller. „Maar het principe van de draaiing in de compositie is precies hetzelfde.”

Misschien wel de grootste openbaring van deze twee tentoonstellingen is dat er op de islamitische kunstwerken wel degelijk ook mensen en dieren figureren. In een zeventiende-eeuws tapijt uit Iran is een patroon geweven van gespiegelde ruiters die steeds herhaald worden. Ook Escher maakte in 1957 een vlakverdeling met ruiters die elkaar tegemoet rijden. Hij tekende er zelfs een decoratief randje omheen, waardoor het lijkt of het een tapijt is in plaats van een houtsnede. De Nederlandse kunstenaar kan van het bestaan van de Iraanse wever niet geweten hebben. Maar dat ze zielsverwanten waren, staat buiten kijf.

Escher meets islamic art. T/m 3 nov in het Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2, Amsterdam. tropenmuseum.nl

Escher & Schatten uit de islam. T/m 3 nov in Museum Escher in het Paleis, Lange Voorhout 74, Den Haag. escherinhetpalies.nl