Na de Tour: einde van de dopingoorlogen?

En dan zeggen ze dat voetbal oorlog is! Vergeleken bij de dopingoorlogen die het wielrennen de afgelopen maanden verscheurden, lijkt dat nu kinderspel met houten zwaarden. Het beschuldigen en biechten, knarsen van tanden en strooien van as, was oorverdovend. Ook in de journalistiek. Hoofdredacteur Peter Vandermeersch, zelf ooit ‘seingever’ bij de Ronde van Vlaanderen, gooide

En dan zeggen ze dat voetbal oorlog is!

Vergeleken bij de dopingoorlogen die het wielrennen de afgelopen maanden verscheurden, lijkt dat nu kinderspel met houten zwaarden. Het beschuldigen en biechten, knarsen van tanden en strooien van as, was oorverdovend.

Ook in de journalistiek.

Hoofdredacteur Peter Vandermeersch, zelf ooit ‘seingever’ bij de Ronde van Vlaanderen, gooide vorig jaar oktober per tweet de knuppel in het hoenderhok, na de ontmaskering van Lance Armstrong. ,,Is het schandaal niet dé ultieme kaakslag voor de wielerjournalistiek? Zien, horen, zwijgen?’’, vroeg hij zich af.

De vraag stellen was hem beantwoorden. Vandermeersch voelde zich, na een doorwaakte nacht met het belastende USADA-rapport over Armstrong, een ,,bedrogen minnaar’’. Zowel door de wielersport, die een leugen was gebleken, als door de journalistiek, die de leugen niet eerder had ingehaald.

Er volgde een turbulent, vaak emotioneel journalistiek zelfonderzoek. Waarom was de omerta in de wielerwereld niet eerder doorbroken? Waren wielerjournalisten niet teveel liefhebbers geweest en te weinig journalist?

Als trotse bezitter van louter een stadsfiets volgde ik het met stijgende verbazing.

Want kwam de politieke journalistiek zo in het beklaagdenbankje, na de onthullingen van twee junioren over Watergate? Taaiden royalty-verslaggevers massaal af, na het Lockheed-rapport? Hoeveel wetenschapsredacteuren sloegen zichzelf (en elkaar) om de oren dat ze Stapel niet hadden ontmaskerd, na eerdere berichten over sjoemelende wetenschappers? En hoeveel Economie-redacteuren werden het mikpunt van spot en hoon, omdat ze de kredietcrisis niet hadden zien aankomen?

Het verschil: van sport heeft iedereen verstand. Sport is een specialisme, maar ook een nationale hobby. En sportjournalisten zijn, veel meer dan politieke of andere journalisten, onderdeel geworden van de wereld waarover ze berichten, waar de belangen groot zijn, en waar toegang goud waard is. Zie de afstand die veel van zijn collega’s bewaarden tot de ‘spelbreker’ David Walsh. En als dan blijkt dat de held die ons jarenlang is voorgeschoteld een bedrieger is, is de boot aan. Wij, liefhebbers, hadden er immers récht op om dat te weten!

afweten

Laten we meteen vaststellen: als de pers het heeft laten ‘afweten’ inzake doping, is dat de journalistiek in brede zin aan te rekenen. Niet alleen sportjournalisten.

Sportjournalisten zijn, net als kunstredacteuren, zowel verslaggevers als recensenten. Ze móeten zich engageren, om de passie te leveren waar het publiek naar snakt, en ze móeten toegang houden om te kunnen leveren, vaak jarenlang. Natuurlijk gaat het dan óók om waarheidsvinding, maar het is een andere discipline dan die van hard core onderzoeksjournalisten, die op een dossier duiken, het binnenste buiten keren en dan vaak op weg gaan naar nieuwe avonturen.

Waar het lang aan heeft ontbroken, is een geconcentreerde poging om, met inzet van alle middelen, de onderste steen boven te halen. Daarvoor moet de kennis van vakredacteuren op sportgebied worden gekoppeld aan de vaardigheden van onderzoeksjournalisten. En dat vraagt een, soms langdurige, investering in tijd en mankracht.

Sommige buitenlandse media, zoals de sportkrant L’Equipe, deden zo’n poging. En ook elders werden pagina’s volgeschreven over doping, zeker na de Tour du Dopage van 1998. Maar meestal bleef de inspanning beperkt tot een feitelijk overzicht, een serie met de ‘stand van zaken’ en een discussie over de vraag hoe schadelijk doping nu eigenlijk was – ook een goeie vraag.

Pas na de val van Armstrong was er geen houden meer aan. De ontmaskering van deze zevenvoudige winnaar, met zijn overwinning op kanker en koele, geperfectioneerde benadering van de sport, was de ‘kaakslag’. Wielerjournalistiek werd een heel nieuw jachtveld voor onthullers, op zoek naar de volgende ontmaskering.

Wat heeft het opgeleverd?

In elk geval dit, heel simpel: nieuwe feiten. We weten nu beter hoe het eraan toegaat in die sport, en dat is journalistieke winst. Zo bracht NRC Handelsblad een reeks onthullingen van sportredacteuren en twee verslaggevers, Steven Derix en Dolf de Groot, die hun bevindingen over dopinggebruik in de Rabo-ploeg ook neerlegden in het boek Bloedbroeders, over de Rabo-ploeg.

Voorlopig tenminste, want de krant kan moeilijk opgelucht terugschakelen. Zoals Michael Boogerd na zijn biecht opmerkte in een tv-debat met Vandermeersch: ,,Dus de waarheid stopt bij mij?’’ Nee, aldus de hoofdredacteur, dat is niet de bedoeling. Het zou ook wel heel zuur zijn. Er blijft ook genoeg uit te zoeken. Over de controlerende instanties, laboratoria, sportbonden, en niet te vergeten: de wetenschappelijke discussie over de vraag wat eigenlijk de (positieve en negatieve) effecten zijn van (welke) doping.

Zonder slag of stoot zal dat niet gaan, want de discussie over wielrennen is nu emotioneel zwaarbeladen. Woede over bedrog en ergernis over heksenjacht worstelden elkaar de kolommen uit; teleurstelling ligt overal op de loer. Zelfs over de nuchtere Mollema na de Alpe d’Huez. Hij zou toch, slechts op pindakaas, op het erepodium komen? Waren we wéér bedrogen!

loopgraven

Ook op de redactie van NRC Handelsblad laaiden de emoties op. Volgens een oudere collega die de schermutselingen van nabij gadesloeg, zelfs ,,hoger dan in het kruisrakkettendebat’’, dat de redactie in de jaren tachtig politiek verdeelde. In de loopgraven: ‘rekkelijken’ (doping is van alle tijden, schadelijk effect is niet bewezen) en ‘preciezen’ (regels zijn regels en liegen mag niet).

In de hoofdredactionele commentaren zie je daar de sporen van.

Sinds jaar en dag was de krant daarin tamelijk ‘liberaal’ over doping. Althans, ‘schone’ sport is een illusie, lezen we in commentaren als Valse illusies in de sport (5 juni 2007) en Het zuivere wielrennen (27 september 2009). Of neem het commentaar Willekeur op wielen (28 juli 2008). Dat gaat nog verder: ,,De strijd tegen vermeend dopinggebruik in het wielrennen heeft hysterische en onsmakelijke vormen aangenomen.’’

En, aldus de krant: ,,Het grootste probleem is niet het dopinggebruik, maar het dopingverbod.’’ Slotsom: ,,Alleen een liberalere opvatting over doping, mits toegepast onder medisch toezicht, kan aan deze uitzichtloze wedloop een einde maken. In de wetenschap dat heel wat middelen veel minder slecht voor hen zijn dan, bijvoorbeeld, de lucht van Peking.’’

Het leest als een bericht uit een andere wereld.

Want na de biecht van Boogerd, en het verdriet van de hoofdredacteur, werd uit een veel strenger vaatje getapt: niks geen excuses of verzachtende omstandigheden. De renner had zich welbewust, jarenlang, schuldig gemaakt aan ,,systematisch bedrog’’ (Vijf jaar ontkennen, 6 maart 2013). Dat is hem ,,aan te rekenen’’. En somber stelde dat commentaar vast dat de wielersport nu was ,,ontdaan van romantiek’’.

Kort daarop dook de oude lijn alweer op. In het commentaar Doping en de dilemma’s (18 juni) vroeg de krant begrip voor renners die voor het ,,dilemma’’ staan: gebruik ik doping of niet? Alledaagse overwegingen spelen daarbij ook een rol, zoals ,,de noodzaak om een gezin te onderhouden en de hypotheek af te lossen’’.

Mokkend werd nu dan wel vastgesteld dat ,,het imago’’ van het wielrennen hervormingen nodig maakte – maar dat lag niet aan de doping zelf, kennelijk (Doping en de dilemma’s, 18 juni 2013). En, noteerde het commentaar relativerend maar terecht: alleen hervormen in Nederland helpt ook niet, een internationale aanpak is nodig.

Maar is een schonere wielersport nu wel of geen illusie? Wanneer is doping nu wel of geen kwaad? En is er een balans te vinden tussen ,,hysterisch’’ moralisme en een wereldwijs, vermoeid realisme dat nooit iets beter ziet worden?

Kortom: de krant weet het ook nog niet helemaal. Dat is ook niet zo gek. Een oorlogstrauma heeft tijd nodig. Net als liefdesverdriet.

kokhalzen

Hoe nu verder?

Het onthullendste stuk dat ik over wielersport en doping las, vóór het grote biechten begon, was van toenmalig sportredacteur Guus van Holland (Opgeven? Nooit, godver, nooit, 6 december 1997). Een hartverscheurend relaas vol kokhalzende, incontinente en huilende renners. Van Holland beschrijft hoe zij, opgelierd door een apotheek vol middelen, na de streep nog mechanisch doortrapten en alleen na het ledigen van een fles wijn, suf van de drank en de ‘drog’, onder zeil gingen – tot de volgende etappe.

Geen knalharde scoops, maar een zeer onthullend stuk. Hij wilde maar zeggen: de wielrennerij was geen onschuldig jongensboek voordat Lance en de epomannen langskwamen.

Zestien jaar later, in een Tour-bijlage van NRC Handelsblad, heeft Van Holland ook zijn eigen dilemma’s als journalist beschreven: de verdenkingen, de flitsen van je-ziet-iets-maar-je-weet-niet-wat, de ontkenningen, intimidaties, de schouderklopjes van mensen die je complimenteren en voorliegen tegelijk. Ook een prachtstuk, dat in één klap inzicht geeft in het menselijke drama van topsport en in de beperkingen van de sportjournalistiek.

Trouwens, Van Holland geldt als een romanticus, en eigenlijk is dat vreemd. Een romanticus is toch iemand die de barre werkelijkheid niet wil zien. Maar die stukken zijn niet doordrenkt van romantiek, maar juist van de tragische ellende van de wielersport, met name tijdens de Tour, die ,,commerciële hellevaart’’.

Van Holland zet zich nu af tegen de jacht op dopinggebruikers. Op zijn blog spreekt hij zelfs van ,,waanzin’’. Hij lijkt zich vooral te ergeren aan de genadeloze emotionele conjunctuur van pers en publiek als het om wielrenners gaat. Topsport eisen, maar de guillotine dicht in de buurt houden. Ja, geen fraai gezicht.

Maar zulke empathie met topsporters kan best samengaan met kritische onderzoeksjournalistiek. Daar zouden de media lezers en kijkers een grotere dienst mee bewijzen dan met de huidige tombola van zelfkritiek en zelfbeklag. En de sportwereld, met haar obsessie met zogenaamde kameraadschap, toegang en het straffen met ostracisme, die moet daar maar aan wennen.

Tijd om de strijdbijl in de dopingoorlogen te begraven.

Wat vindt u?