... maar verliezers zijn geen losers

Krijgshaftige taal begeleidt acties om geld in te zamelen voor kankeronderzoek. Getuigt dat wel van respect voor mensen die sterven aan deze ziekte?

Kort geleden had ik een bevriende collega aan de lijn. Een vriendin van haar was overleden aan borstkanker. Snikkend van verdriet en woede vertelde ze hoe ze op televisie een evenement zag waarbij mensen T-shirts droegen met de tekst ‘I’m a Breast Cancer Survivor’.

M’n collega zei: „Waarom stond er niet: ‘Ik heb geluk gehad’? Nu is het alsof mijn vriendin gefaald heeft, terwijl ze bijzonder moedig was.”

Ineens herinner ik me een column, eind vorig jaar in de Volkskrant, van Aleid Truijens. Haar zoon had als kleuter leukemie gehad. In het boek Geen nacht zonder vertelt ze over die periode. In haar column schrijft ze: ‘En nu wil ik het niet meer horen: ‘Ik sta op tegen kanker’! Wekenlang hoor ik het al, op radio en tv. Wij met z’n allen voeren een bikkelharde strijd tegen de gevreesde ziekte. Goed hè, van ons. (…) Strijd – dat woord impliceert dat de eerlijke winnaar met de eer gaat strijken. Wie héél erg zijn best doet, mag straks de beker omhooghouden. Het woord zegt daarmee ook dat de verliezer zich niet hard genoeg heeft ingespannen, en met gebogen hoofd de arena dient te verlaten. In het geval van kanker is dat een afschuwelijke metafoor.”

KWF Kankerbestrijding en andere organisaties die geld inzamelen voor kankeronderzoek hanteren in hun campagnes krijgshaftige slogans: ‘Sta op tegen kanker', ‘Beat it’, ‘Opgeven is geen optie’, ‘Leef, lef, KWF’, enzovoorts. Het mag duidelijk zijn dat niet iedereen is gecharmeerd van dit taalgebruik. Tegelijk is kanker een ziekte waarvan steeds vaker mensen genezen, dus zo vreemd is die strijdmetafoor nu ook weer niet. Maar wie vecht er dan? Artsen en onderzoekers? Speelt de vechtlust van de patiënt, de wil te blijven leven, een rol bij de kans op genezing? Maakt dit de terminologie van overlevers misschien toch niet zo misplaatst?

Volgens Leo Gualthérie van Weezel, psychiater in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis (AVL), heeft onderzoek uitputtend bewezen dat vechtlust of ‘positief denken’ het leven van een kankerpatiënt niet verlengt. „Zelfs het Helen Dowling Instituut, dat zich richt op psycho-sociale hulp bij kanker en altijd als uitgangspunt had dat een evenwichtige geest bijdraagt aan een langer leven, is daar inmiddels van afgestapt.”

Gualthérie van Weezel is het ‘heel erg eens’ met Aleid Truijens. „Ik vind dat ze een belangrijk geluid laat horen, net als zwemmer Maarten van der Weijden, die genas van acute lymfatische leukemie en altijd gezegd heeft dat hij zich simpelweg heeft overgegeven aan de artsen en al dat gepraat over ‘vechten tegen kanker’ maar onzin vond. Het idee dat je kanker de baas kunt worden als je maar goed genoeg je best doet of genoeg bietensap drinkt of mediteert of wat dan ook, kortom: het idee dat je er zelf invloed op kunt uitoefenen, is verwerpelijk. Ten onrechte geef je patiënten die niet genezen dan het gevoel dat ze tekortgeschoten zijn.”

Positief denken

Hoofd communicatie van KWF Kankerbestrijding, Stan Termeer, zegt patiënten nooit te zullen oproepen om te ‘strijden’ tegen hun ziekte „Dat zou onzin zijn. Hoe je omgaat met kanker, is heel persoonlijk. En het is waar dat positief denken geen invloed heeft op de uitkomst van de ziekte. Maar veel patiënten gebruiken zelf de metafoor ‘ik strijd tegen kanker’ en putten daaruit energie. Anderen ergeren zich eraan. Daar houden wij in onze communicatie en voorlichting serieus rekening mee. Drie jaar geleden hebben we om die reden de slogan ‘Samen voorop in de strijd’ vervangen door ‘Iedereen verdient een morgen’. De kreet ‘Leef, Lef, KWF’ is bedacht door twee patiënten die zich onder dat motto inzetten voor KWF. Dat die op onze actiepagina staat en met ons wordt geassocieerd, is terecht: wij zijn een maatschappelijke organisatie die aansluit bij wat er leeft in de samenleving. Maar we zouden ’m zelf nooit gebruiken.”

„Het lukt niet altijd het woord strijd te vermijden”, zegt Termeer. „Wij heten niet voor niks KWF Kankerbestrijding: kanker bestaat op persoonlijk niveau, én als maatschappelijk probleem. Op dat maatschappelijke niveau gebruiken we het woord wel, vergelijkbaar met de strijd tegen kernwapens, of de strijd tegen het broeikaseffect. De campagneslogan ‘Sta op tegen kanker’ moet je ook zo zien: als een maatschappelijke oproep ons tegen kanker teweer te stellen, er iets aan te doen door geld in te zamelen voor onderzoek. Dat Aleid Truijens daarmee problemen heeft, begrijp ik niet goed. In het tv-programma dat bij die campagne hoorde, zaten legio mensen die vertelden over het feit dat ze iemand verloren hadden aan kanker. Het ging helemaal niet over ‘kijk ons eens goed zijn, wij hebben allemaal kanker overleefd’. Integendeel, wij zijn helemaal niet voor de Lance Armstrong-stijl van ‘doe je best, dan komt het goed’. Niet voor niets is Maarten van der Weijden een van onze ambassadeurs. Hij is net als Armstrong teruggekomen als sporter na kanker, maar zonder enige heldenretoriek.”

Een andere topsporter die genas van kanker, paralympisch snowboarder Bibian Mentel, gelooft wel hartstochtelijk in de kracht van positief denken. Ze kreeg in 2000 botkanker, die uitmondde in een onderbeenamputatie, na uitzaaiingen en drie longoperaties. Ze vertelt over haar ziektegeschiedenis in haar boek Met mijn goede been uit bed: ‘Voor mij is het glas altijd halfvol, en ik ben ervan overtuigd dat me dat geholpen heeft bij mijn genezingsproces. Wetenschappers kunnen wel zeggen dat het niet zo werkt, maar die weten ook niet alles. Ik had letterlijk het gevoel dat ik het gevecht aanging met mijn kankercellen. ‘Ze zullen me niet klein krijgen’, dacht ik. ‘Dit gaan we potverdorie winnen.’ Ik gaf de kanker zo min mogelijk kans door fysiek sterk te blijven, en zo gezond mogelijk te eten. Suiker liet ik staan, bijvoorbeeld, terwijl ik erg van zoet hou. Natuurlijk weet ik dat sommige mensen te ziek zijn om het te redden en ik zeg ook niet dat iedereen het zo moet doen, het was mijn manier van overleven.’

AVL-psychiater Gualthérie van Weezel is in het algemeen heel blij met de grote publieke aandacht voor kanker, zegt hij. „Vroeger was het taboe over de ziekte te praten, en mocht je ’m niet benoemen. Nu schieten de eigentijdse pr-methoden soms door naar het andere uiterste: kankerpatiënten als oorlogshelden. Maar helemáál onzin is die strijdmetafoor nu ook weer niet. Veel mensen komen gehavend uit de behandeling – met protheses, littekens, stoma’s. Kankerpatiënten moeten heel wat inleveren. Het is goed dat ze hun ziekte niet meer hoeven weg te stoppen.”