Langste lintworm ooit in museum

Tijdens de zomer gaat de Achterpagina op zoek naar merkwaardige musea over de hele wereld. In deze aflevering parasieten in Tokio.

Dolfijnenhersenen met wormen in het parasietenmuseum Foto Jeremy Sternberg

Verborgen in een doorsnee gebouw in de Japanse hoofdstad Tokio zit het piepkleine Meguro parasietenmuseum. Het prijst zichzelf aan als ‘het enige ter wereld’.

De honderden glazen bekers met wormen, larven en aangevreten lichaamsdelen maken dit niet een museum dat je graag nog een keertje bezoekt. Toch lopen er zelfs op een doordeweekse dag voortdurend bezoekers door de twee kleine kamers. Gebukt kijken twee jonge vrouwen intens naar de geconserveerde hersenen van een dolfijn waar in alle richtingen honderden wormen uitfriemelen. De wormen zijn al vele jaren dood en staan in formaline – parasieten vereisen immers een levend organisme om te overleven.

Het museum staat vol met dergelijke gruwels. De aangevreten bek van een reuzenschildpad, een foto van een man met een gedeeltelijk weggevreten gezicht, en zelfs een foto van een man met een geslachtsdeel groter dan zijn twee benen. Het gevolg van olifantsziekte veroorzaakt door kleine wormen die logeren in de lymfevaten. Een prent uit de 18de eeuw met een man wiens penis wordt gedragen door twee bedienden toont dat het probleem al lang bekend is in Japan.

Dichtbij hangt een bijna negen meter lange lintworm. Volgens het bijschrift de langste lintworm ooit ontdekt. Hij kwam uit de darmen van een Japanse man die rauwe forel had gegeten geïnfecteerd met larven. Drie maanden later vond hij een stukje worm in zijn ontlasting. De dokter vond de rest. Om ervoor te zorgen dat er geen onduidelijkheid is over hoe lang negen meter is, hangt er een touw van dezelfde lengte naast de glazen toonkast. Geen van de bezoekers ontrafelt het.

Naast de honderden glazen bekers met wormen hangen grote posters die de levenscycli van de parasieten weergeven. Ze tonen hoe bepaalde parasieten vissen aantasten die vervolgens op onze borden komen te liggen. Dichtbij staan glazen bekers met aangetaste vissen. Na het zien hiervan eist het moed om een sushi-restaurant in te duiken.

Toch lijken de bezoekers op een bepaalde manier te genieten van de taferelen. Je hoort niemand „gatverderrie” zeggen. Een van de vrouwen die eerder naar het dolfijnbrein keek, legt uit dat ze het fascinerend vindt. „Ik wilde hier al jaren komen”, vertelt ze. „Ik had gehoord dat het een vreemd museum was.”

Vreemd mag het zijn, maar het heeft een serieuze functie. De arts Satoru Kamegai richtte het in 1953 op om onderzoek te verrichten. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog lag Japan in gruizels en hygiëne stond onder druk. Parasieten waren een groot probleem waar artsen dagelijks mee werden geconfronteerd.

De 300 specimens in het museum vormen slechts een miniscuul gedeelte van de collectie. Die telt in totaal liefst 60.000 exemplaren. Ook heeft het instituut een enorme bibliotheek. Er wordt onderzoek uitgevoerd dat wereldwijd bekendstaat. Maar voor veel bezoekers is het gewoon een plek waar ze even lekker kunnen gruwelen.