Column

Hardnekkige retoriek

Praten over abortus is hachelijk. Er bestaan twee kampen en in beide kampen heeft men zich duchtig ingegraven. Ben je tegen, dan ben je nooit voor. Ben je voor, dan ben je nooit tegen. Bovendien hebben christelijke denkers en partijen de laatste decennia nogal de neiging gehad het onderwerp te claimen als het hunne, waardoor anderen het voor gezien hielden en zij in hun christelijke uppie de moraal er omtrent konden uitdragen.

Toen ik vorige week een gesprek over abortus wilde aanzwengelen, werd ik me opnieuw van deze conversationele complicaties bewust. Ik wees er op dat bij een zwangerschap niet alleen een moeder maar ook een kind is betrokken, maar naar die boodschap werd feller geluisterd dan dat ze werd verstaan. De voorzitter van Women on Waves had verstaan dat ik me uitsprak „tegen het recht van vrouwen om zelf over abortus te beslissen”.

Daarom nu nog eens, op het gevaar af opnieuw voor ideologisch verblind te worden versleten. Het onderwerp is er namelijk belangrijk genoeg voor. Wat ik wil zeggen is simpel: er zijn meerdere beweegredenen voor een zwangerschapsonderbreking en al die beweegredenen verlangen hun eigen terminologie, hun eigen afwegingen en hun eigen juridische regels. De zwangerschap kan ongewenst zijn, de zwangerschap kan het leven van de moeder in gevaar brengen, de zwangerschap kan leiden tot de geboorte van een zo ernstig ziek of zwaar gehandicapt kind dat afbreking wenselijk zou kunnen zijn in het belang van het kind.

Met louter ‘seksuele rechten van de vrouw’ kom je er dus niet. Vooral bij late abortussen, uitgevoerd na medisch onderzoek naar de foetus, heb je het eerder over euthanasie op het kind dan over abortus bij de vrouw. Behandel het geval dan ook als zodanig. Maar Bert van Herk, Raad van Bestuur van de CASA klinieken, vindt zulke aandacht voor het kind overdreven. In de krant schreef hij dat ik me blindstaar op late abortussen, terwijl ik net had gewaarschuwd niet te blijven steken in verontwaardiging over extreme situaties. „Abortus bij vijf maanden is evengoed een extreme situatie”, schreef hij. Daar heeft hij een punt, dacht ik. De eerste drie seconden. Totdat ik begon te rekenen. „Van de ingrepen die in Nederland worden uitgevoerd, vindt 1,5 procent plaats in de 22e of 23e week van de zwangerschap”, schrijft Van Herk. Zo weinig is dat bij nader inzien niet, want op een aantal van 32.000 abortussen per jaar hebben we het dan over 480 gevallen van abortus op mogelijk levensvatbare kinderen. Eerlijk gezegd veel meer dan ik had gedacht. Toch beschouwt Van Herk al die honderden gevallen als uitzonderingen. „Welk punt wil Februari nu eigenlijk maken?” vraagt hij met schouderophalen. Kennelijk is het hard nodig dat nog eens uit te leggen.

Mijn punt is beslist niet dat we abortus te allen tijde moeten beschouwen als een vorm van euthanasie. Mijn bezwaar is dat we het nooit doen. Klinieken, gezondheidsorganisaties, de parlementariërs van de PvdA die campagne voeren: allemaal hebben ze het exclusief over de rechten van de vrouw. Niet dat er met die rechten iets mis is. Door aandacht voor de situatie van de vrouw behoort Nederland wereldwijd tot de landen met de laagste abortuscijfers. Dat is mooi. Dat moeten we vooral zo houden.

Maar volgens de Inspectie voor de Gezondheidszorg is sinds de algemene invoering van de 20-weken echo een duidelijke toename te zien van late tot zeer late abortussen. Waarom hebben abortusorganisaties en parlementariërs het niet over de foetus die hierbij centraal staat, als ze wereldwijd de Nederlandse regelingen gaan propageren? Waarom willen ze abortus überhaupt niet omschrijven als een tragische situatie?

Soms lijkt het wel of beijveraars als Women on Waves pure reclame maken voor de vreugden van abortus. Wijs ik op tragiek, dan concludeert de voorzitter van Women on Waves maar meteen dat ik ben geïndoctrineerd door de anti-abortusbeweging. „Vrijwel alle vrouwen zijn na behandeling opgelucht dat zij van een ongewenste situatie verlost zijn”, schrijft ze monter.

Kom nou toch! De Rutgers Nisso Groep, bepaald niet de anti-abortusbeweging, schreef in het rapport ‘Seksuele Gezondheid’ (2009) dat 16 procent van de vrouwen achteraf spijt heeft van een abortusbehandeling en dat 58 procent achteraf nog last heeft van emotionele en fysieke klachten. De CASA abortusklinieken schrijven op hun website: „Soms komen na de behandeling de twijfels (weer) opzetten. Sommige vrouwen voelen zich verdrietig of schuldig. Deze gevoelens zijn heel normaal.”

Natuurlijk weten de beijveraars dit ook wel. Maar het komt ze niet uit. In de reacties op mijn voorzet worden alle bezwaren en grenzen met een zwiep van tafel geveegd. Het is een bewijs dat Nederland een levendig probleem heeft. Pas als ze de onbuigzame retoriek rond seksuele rechten afleggen, worden Nederlanders geloofwaardig als gesprekspartners voor Chilenen, Litouwers en Ieren. Pas dan ook wordt een open gesprek binnenslands mogelijk. Want je kunt wel krampachtig doen alsof het ongeboren kind er niet is, maar door het te negeren verdwijnt het helaas niet vanzelf.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.