Duiken voor bier en glazen urine

Hardcore punkband Black Flag treedt weer op In twee samenstellingen welteverstaan: de leden liggen met elkaar overhoop Een historie van misschien wel de beste punkband ooit

Medewerker muziek

Het zou de eerste rock-‘n-roll-show ooit worden. In het altijd keurig aangeharkte Polliwog Park in Manhattan Beach, een voorstadje van Los Angeles, picknickten iedere zondagmiddag brave Amerikaanse gezinnen, ondertussen genietend van een mopje muziek: meestal klassiek of jazz.

Tot 22 juli 1979.

Het US Air Force Orchestra zegde op het laatste moment af en de parkprogrammeur moest snel op zoek naar een vervanger. Hij besloot toch maar dat ene bandje uit de buurt te boeken waarover de gitarist hem al maanden aan zijn kop liep te zeuren. Oké, ze maakten rock en de beloofde tape als bewijs van bekwaamheid was nooit aangekomen. Maar die slungel had hem verzekerd dat ze uitsluitend covers van Fleetwood Mac speelden, en dan vooral de nummers van het monstersucces Rumours. Prima toch?

Niet dus. Want het wáren geen nette evergreens en beschaafde ballads waar het viertal, Black Flag geheten, het park op trakteerde. Zodra zanger Keith Morris was opgelapt – hij was al vóór het optreden out gegaan en lag onder een auto zijn roes uit te slapen – blies de band met een portie ontploffende punkrock alle verbijsterd toekijkende hoekstenen van de samenlevingen van hun picknickkleedjes.

De ultieme bekroning moest toen nog komen. Want de braveriken namen wraak en begonnen hun goed gevulde manden leeg te gooien. Al na een minuut regende het boterhammen, kippenbouten en watermeloenen op het podium. Een ongekende luxe: het was Black Flag niet alleen gelukt weer een optreden bij elkaar te scharrelen, er lagen zelfs gratis maaltijden voor het oprapen.

Vrezen voor je leven

Ziehier de geschiedenis van de beste punkband ooit in een notendop. Altijd en overal spelen, altijd weer bekogeld worden – en altijd honger hebben.

In de tien jaar dat Black Flag (1976-1986) bestond, was de band vrijwel continu op tour. Ze moeten vaak smachtend hebben terugverlangd naar de vallende watermeloenen. Want punk was meestal oorlog. Optredens ontaardden in veldslagen waarin bandleden werden bekogeld met bierflessen of glazen urine, maar ook werden bespuugd, gebeten en geslagen. En achteraf wachtte steevast een groep skinheads met jeukende vuisten, of – minstens even erg – de politie (als die niet al vroegtijdig publiek én band de tent uit had geknuppeld).

Dit kon weleens mijn laatste optreden worden, schreef latere zanger Henry Rollins voor hij in Wenen op het podium stapte. Dat er iedere avond met glas werd gesmeten was hij wel gewend, maar nu hij de enorme Oostenrijkse bierpullen had gezien, vreesde hij voor zijn leven.

Zo ging dat vaak 25 dagen per maand. En dus noemde Rollins zijn tourmemoires heel toepasselijk Get in the van. Het boek schetst een zwerversbestaan langs kraakpanden, kelders, jeugdhonken, garages of zelfs huiskamers van fans wier ouders op vakantie waren. Om na een korte nacht (vaak ter plekke op de grond) weer door te karren naar de volgende stad om ‘s middags posters te plakken/graffiti te spuiten als reclame voor de show van die avond.

Dat is wat je noemt hardcore. Dat was dan ook de naam van de Amerikaanse punkvariant die vergeleken met de nihilistische versie van (meestal Engelse) collega’s harder en agressiever was, en minder gericht op uiterlijk vertoon met veiligheidsspelden, hanenkammen, leer en legerkisten. De bandleden zagen er misschien niet punk uit, ze waren het des te meer. Want in plaats van voor de spiegel zat Black Flag in hun busje. Volgens het credo do it yourself moesten punkers alles lekker zelf doen – muziek maken, platen uitbrengen – maar niemand had die filosofie nog succesvol weten toe te passen in het live circuit. Lange tournees waren enkel weggelegd voor de groten der aarde. Maar dankzij hun eeuwige tourdrift bouwde Black Flag een ondergronds netwerk waarvan alle latere indiebands zouden profiteren.

IJzige, autistische dictator

Die compromisloze passie ging wel ten koste van het personeel. In tien jaar tijd versleet de band vier zangers, zes bassisten en zes drummers. Het enige vaste lid was die ene slungelige gitarist Greg Ginn. Zijn basaal, bruut en panisch scheurgeluid was uit duizenden te herkennen en paste perfect bij de (vaak door hem geschreven) beklemmende teksten over angst, onzekerheid en depressie. Alleen in zijn handen kon een gitaar kermen en slopen tegelijk.

Maar Ginn was meer dan een briljant punkcomponist: hij was a.) een nerd die als 12-jarige het bedrijf Solid State Transmitters begon waarmee hij oude zendapparatuur verkocht (en dat uiteindelijk omvormde tot platenmaatschappij SST Records, dat naast Black Flag ook Hüsker Dü, Soundgarden, Sonic Youth en Dinosaur Jr. uitbracht, b.) een autist van wie geen bandlid echt hoogte kreeg, zelfs niet na jarenlange gezamenlijke opsluiting in de tourbus, c.) een ijzige dictator die ook op spaarzame vrije dagen de band beval eindeloos te repeteren (beroemdste voorbeeld: Eerste Kerstdag, om acht uur ’s ochtends).

Maar hij was de baas, en in augustus 1986 vond de baas het welletjes. Hij legde zich voortaan toe op soloprojecten, vaak met drumcomputer, en de opvang van zwerfkatten. Voor dat doel gaf hij in 2003 nog twee benefietconcerten onder de naam Black Flag, met eigen muzikanten, vooraf door hemzelf opgenomen baspartijen, en enkel korte gastoptredens van derde zanger en latere tweede gitarist Dez Cadena en derde drummer Roberto ‘Robo’ Valverde.

Twee maanden terug gebeurde wat niemand voor mogelijk hield. Er werd een heuse reünie aangekondigd, en toen nóg een. De eerste heet Flag en bestaat uit eerste zanger en medeoprichter Keith Morris, Dez Cadena, vierde bassist Chuck Dukowski en vijfde drummer Bill Stevenson aangevuld met gitarist Stephen Egerton. Voor de doorstart van Black Flag wist Ginn alleen tweede zanger Ron Reyes te charteren en twee gastmuzikanten.

Om het extra ingewikkeld te maken gebruiken beide bands het iconische lettertype en logo van vier zwarte balken die samen een vlag vormen. Het werd ooit bedacht door Raymond Pettibon, broer van Ginn, eerste bassist en tekenaar van alle provocerende cartoons op de oude hoezen en posters. Alleen echte kenners zien het verschil: bij Flag hangt de vlag stil, bij Black Flag wappert hij als vroeger.

Embarrassingly weak

En er is ruzie. Want hoewel Flag diplomatiek probeerde te zwijgen over hun oude tiran, vloog Ginn er meteen met gestrekt been in. Op blackflagofficial.com, waar twee nummers van een binnenkort te verschijnen album zijn te horen, postte hij de volgende waarschuwing/oorlogsverklaring: ‘***note: not to be confused with the ‘fake’ Flag band currently covering the songs of BLACK FLAG in an embarrassingly weak “mailing it in” fashion***’

Restte nog één vraag: waar was Henry Rollins, die als langst dienende zanger voor velen geldt als boegbeeld? Na zich aanvankelijk te hebben stilgehouden, verklaarde hij zijn afwezigheid in een column voor LA Weekly met de kop ‘Why I’m Not Playing Music Anymore’. Zonder de strijdende partijen bij naam te noemen, gaf hij ze toch de genadeklap. „Perhaps they are on a Proustian mission to recapture that which has been lost”, aldus Rollins, die enkel nog spoken word-shows geeft. „This is why I stopped touring with a band. I put up my fists and there was no longer anything there. It was heartbreaking, but it was clear. Music had moved on.”

Black Flag speelt op 9 augustus op het Ieperfest (België) en 10 augustus in de Melkweg (Amsterdam). Er zijn nog kaarten. Een nieuw album verschijnt binnenkort op SST Records.