De volledige toespraak van Obama over Trayvon Martin

Obama gaf afgelopen vrijdag onverwachts een toespraak over de commotie rond Trayvon Martin. Foto Reuters / Larry Downing

De reden dat ik hier vandaag eigenlijk wilde komen is niet om vragen te beantwoorden, maar om te praten over een onderwerp dat in de loop van de week duidelijk veel aandacht heeft gekregen: de uitspraak in de zaak van Trayvon Martin. Meteen na de uitspraak heb ik vorige week zondag al een – een voorlopige verklaring afgelegd, maar gelet op de discussie van de afgelopen week leek het me nuttig mijn gedachten nog wat verder uit te werken.

Allereerst moet u weten dat ik – dat ik nogmaals wil bevestigen dat mijn gedachten en gebeden, en ook die van Michelle, uitgaan naar de familie van Trayvon Martin, waarbij ik wil wijzen op de ongelooflijke fatsoenlijkheid en waardigheid waarmee ze de hele toestand tegemoet zijn getreden. Ik kan me alleen maar voorstellen wat zij doormaken en het is opmerkelijk hoe ze hiermee zijn omgegaan.

Ten tweede wil ik hier nog eens herhalen wat ik vorige week zondag al heb gezegd, namelijk dat er heel wat af gedebatteerd zal worden over de juridische kanten van de zaak. Die thema’s laat ik over aan alle juridische analisten en deskundigen.

De rechter heeft het proces vakbekwaam geleid. De aanklager en de verdediging hebben hun argumenten naar voren gebracht. De juryleden is naar behoren ingeprent dat in een zaak als deze gerede twijfel van belang was en ze hebben een oordeel uitgesproken. En zodra de jury heeft gesproken, werkt ons systeem nu eenmaal zo.

Maar ik wilde gewoon even ingaan op de context, en hoe mensen gereageerd hebben en hoe ze zich voelen. U weet dat ik, toen Trayvon Martin net was neergeschoten, heb gezegd dat dit mijn zoon had kunnen zijn. Ik had ook kunnen zeggen dat ik 35 jaar geleden zelf Trayvon Martin had kunnen zijn. En als we stilstaan bij de grote pijn over het gebeurde, in elk geval in de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap, is het denk ik belangrijk te erkennen dat die Afro-Amerikaanse gemeenschap deze kwestie beziet aan de hand van een reeks van ervaringen en een geschiedenis die niet kan worden vergeten.

Er zijn maar heel weinig Afro-Amerikaanse mannen in dit land die niet de ervaring hebben om gevolgd te worden als ze in een warenhuis gingen winkelen. Dat geldt ook voor mij.

En er zijn maar heel weinig Afro-Amerikaanse mannen die niet de ervaring hebben over straat te lopen en de autoportieren op slot te horen klikken. Dat is mij ook overkomen, voordat ik senator was tenminste. Er zijn maar heel weinig Afro-Amerikanen die niet de ervaring hebben een lift in te stappen waar een vrouw nerveus haar tas vastklemt en met ingehouden adem haar eerste kans grijpt om uit te stappen. Dat gebeurt maar al te vaak.

En ik wil dit niet overdrijven, maar al die ervaringen beïnvloeden wel hoe de Afro-Amerikaanse gemeenschap de gebeurtenissen van die avond in Florida interpreteert. En mensen dragen deze ervaringen onvermijdelijk met zich mee.

De Afro-Amerikaanse gemeenschap kent ook de hele geschiedenis van raciale verschillen in de toepassing van ons strafrecht, variërend van de doodstraf tot de handhaving van onze drugswetgeving. En ook dat heeft uiteindelijk zijn uitwerking op de interpretatie die mensen aan de zaak geven.

Nu wil ik hiermee niet zeggen dat de Afro-Amerikaanse gemeenschap blind is voor de onevenredige vertegenwoordiging van jonge Afro-Amerikaanse mannen in het strafrecht – hun onevenredige vertegenwoordiging als slachtoffers én daders van geweld. Ik wil hier geen excuses voor zoeken, ook al verklaren zwarten de oorzaken hiervan wel degelijk in een historische context.

Wij beseffen dat het geweld dat zich in arme zwarte wijken over het hele land voltrekt, voortkomt uit een zeer gewelddadig verleden in dit land en dat de armoede en de ontwrichting die we in deze gemeenschappen zien, op een heel moeilijke geschiedenis zijn terug te voeren.

En doordat dit soms niet wordt erkend, neemt de onvrede toe. En dat veel Afro-Amerikaanse jongens over één kam worden geschoren onder het voorwendsel dat de cijfers uitwijzen zien dat Afro-Amerikaanse jongens nu eenmaal gewelddadiger zijn – wat dan weer als excuus wordt gebruikt om onze zonen anders te behandelen – dat doet pijn.

Ik denk ook niet dat de Afro-Amerikaanse gemeenschap blind is voor het gegeven dat iemand als Trayvon Martin statistisch vermoedelijk meer kans had om door een jongen als hijzelf te worden doodgeschoten dan door iemand anders.

De mensen begrijpen dus heus wel voor welke uitdagingen Afro-Amerikaanse jongens staan, maar ze raken denk ik teleurgesteld als ze menen dat daarvoor geen context is, dan wel dat die context wordt ontkend. En – en dat draagt denk ik allemaal bij tot een gevoel dat in eenzelfde soort scenario waarin een blanke tienerjongen had gefigureerd, van begin tot eind de afloop en de nasleep misschien anders zouden zijn geweest.

Nu is in elk geval voor mij de vraag, en ik denk ook wel voor nog veel meer mensen: hoe nu verder? Hoe trekken we hier bepaalde lessen uit en slaan we een positieve richting in? Weet u, ik vind het begrijpelijk dat er betogingen en wakes en protesten hebben plaatsgehad en voor een deel moet dat gewoon zijn loop nemen – mits het geweldloos blijft. Zodra ik geweld zie, zal ik mensen erop wijzen dat dit afbreuk doet aan het gebeurde met Trayvon Martin en zijn familie.

Maar afgezien van protesten of wakes luidt de vraag: zijn er bepaalde concrete stappen die we misschien zouden kunnen ondernemen? Ik weet dat minister van Justitie Eric Holder een en ander onderzoekt, maar volgens mij is het belangrijk dat iedereen een aantal duidelijke verwachtingen hierover heeft. Van oudsher zijn dit zaken van de staten en de lokale overheden – het strafrecht. En de rechtspleging speelde zich van oudsher ook af op het niveau van staat en lokale overheid, niet op federaal niveau.

Maar dat wil nog niet zeggen dat we als volk niet wat dingen zouden kunnen doen die naar mijn idee nuttig zouden zijn. Laat ik u daarom gewoon wat gegevens verstrekken waarover ik nog met mijn medewerkers steggel, niet om met een soort vijf-puntenplan te komen, maar om wat terreinen te schetsen waarop we ons mogelijk allemaal zouden kunnen richten.

Juist omdat de rechtshandhaving vaak op het niveau van de staat en de lokale overheid wordt bepaald, zou het volgens mij allereerst nuttig zijn als het ministerie van Justitie samen met gouverneurs en burgemeesters de rechtshandhaving op het niveau van staat en lokale overheid zodanig zou trainen dat het soort wantrouwen in het systeem dat nu nog bestaat zou verminderen.

U weet dat ik in Illinois wetgeving heb doorgevoerd tegen rassenstigmatisering. Die draaide eigenlijk maar om twee eenvoudige punten. Ten eerste werden gegevens verzameld over verkeersaanhoudingen en het ras van de degene die werd aangehouden. Maar daarnaast werden er middelen uitgetrokken om politiediensten over de hele staat te leren nadenken over mogelijke rassenvooroordelen en manieren om hun optreden verder te professionaliseren.

En aanvankelijk was er overal in de staat verzet bij de politiediensten, maar gaandeweg erkenden ze dat een faire en eerlijke aanpak hen in staat zou stellen beter hun werk te doen en dat bevolkingsgroepen meer vertrouwen in hen zouden hebben en op hun beurt behulpzamer zouden zijn bij de handhaving van de wet. En uiteraard hebben politie en justitie een loodzware taak.

Dat is dus één terrein waarop naar mijn mening veel middelen en best practices zouden kunnen worden ingezet als de staten en lokale overheden daarvoor ontvankelijk zijn. En ik geloof ook dat vele dat zullen zijn. En laten we ook nog andere manieren bedenken om dat soort training op touw te zetten.

In dezelfde geest lijkt het mij nuttig om na te gaan of bepaalde wetgeving van staten en lokale overheden misschien wel zodanig is ingericht dat het soort onmin en confrontatie en tragedie dat we in het geval van Florida hebben gezien wordt aangemoedigd, in plaats van mogelijke onmin te dempen.

Ik weet dat al is opgemerkt dat in deze zaak niet als verdediging de wet op de zelfverdediging in Florida is gebruikt.

Maar anderzijds: als we als samenleving het signaal afgeven dat iemand die gewapend is mogelijk het recht heeft om die wapens ook te gebruiken als hij een situatie zou kunnen ontlopen, zal dit dan werkelijk bijdragen aan het soort vrede en veiligheid en orde dat we graag zien?

En aan de tegenstanders van het idee dat we toch iets als die wet op de zelfverdediging moeten overwegen, vraag ik alleen maar om te bedenken of Trayvon Martin als hij meerderjarig en gewapend zou zijn geweest, daar op die stoep zijn mannetje zou hebben gestaan? En vinden wij nu werkelijk dat hij het recht zou hebben gehad om Zimmerman, die hem in een auto had gevolgd, neer te schieten omdat hij zich bedreigd voelde?

En als het antwoord op deze vraag ook maar enigszins halfslachtig is, lijkt mij dat we dit soort wetgeving nog eens nader zullen moeten bekijken.

Dan een langetermijnproject: we moeten eens heel goed bedenken hoe we onze Afro-Amerikaanse jongens kunnen ondersteunen en aanmoedigen. Ik praat daar veel met Michelle over. Er lopen veel kinderen rond die hulp nodig hebben maar veel negatieve bekrachtiging krijgen. En zouden we niet meer kunnen doen om hun het gevoel te geven dat hun land om hen geeft en hen waardeert en bereid is in hen te investeren?

U weet dat ik niet naïef geloof in de mogelijkheden van een willekeurig gloednieuw federaal programma.

Daar hebben we het volgens mij hier ook niet over. Maar ik besef wel dat ik als president een bepaald mobiliserend vermogen heb.

En op dit terrein zijn in het hele land tal van goede programma’s gaande. En als wij ondernemers en lokale gekozen bestuurders en geestelijken en beroemdheden en sportmensen bij elkaar weten te brengen en bedenken hoe we jonge Afro-Amerikaanse mannen beter het gevoel kunnen geven dat ze een volwaardig onderdeel van deze samenleving zijn en dat – en dat er ook voor hen wegen naar succes zijn – weet u, dan zou dat volgens mij toch nog een aardige uitkomst zijn van iets wat uiteraard een tragische toestand was. En daar gaan we nog eens flink aan werken en over nadenken.

En tot slot lijkt het mij voor ons allemaal van belang om eens wat gewetensonderzoek te doen. U weet dat de vraag is gesteld of er geen discussie over ras moet worden begonnen. Ik heb er nooit veel uit zien komen als politici discussie proberen te organiseren. Dat eindigt altijd hoogdravend en gepolitiseerd, waarbij iedereen volhardt in de standpunten die hij al heeft.

Aan de andere kant bestaat in het gezin en in de kerk en op het werk de mogelijkheid dat mensen iets oprechter zijn en zich in elk geval hun eigen vragen stellen over de mate waarin ze hun vooroordelen bedwingen: beoordeel ik mensen naar beste vermogen niet op grond van hun huidskleur maar op de inhoud van hun karakter? Dat zou ik in vervolg op deze tragedie een passende oefening vinden.

En laat ik afscheid van u nemen – met een laatste gedachte: hoe moeilijk en beproevend deze hele episode voor veel mensen ook is geweest, we mogen niet uit het oog verliezen dat er telkens verbetering optreedt. Elke volgende generatie lijkt vooruitgang te boeken bij de verandering van de opvattingen over ras. Dat wil niet zeggen dat we in een postraciale maatschappij leven. Het wil niet zeggen dat het racisme is uitgebannen. Maar als ik met Malia en Sasha praat en naar hun vrienden luister en zie hoe ze met elkaar omgaan, dan kan ik zeggen dat ze beter zijn dan wij. Ze zijn beter dan wij in deze zaken waren. En dat geldt voor elke gemeenschap die ik over het hele land heb bezocht.

En we moeten daarom wel waakzaam zijn en aan deze problemen werken, en onze gezagsdragers moeten er wel alles aan doen om ons betere ik aan te moedigen in plaats van deze episodes te gebruiken om tegenstellingen te versterken. Maar we moeten er ook op vertrouwen dat de kinderen van nu volgens mij verstandiger zijn dan wij destijds waren, en zeker verstandiger dan onze ouders of grootouders, en dat we op deze lange, moeilijke reis een volmaakter land worden – geen volmaakt land, maar een volmaakter land.