Allemaal eurosceptisch

Het heeft even geduurd, maar nu zijn ze er in Duitsland ook achter. Nederland heeft bij de Tweede-Kamerverkiezingen in september vorig jaar níet beslissend afgerekend met het gestaag groeiende anti-Europa-sentiment. In Nederland koesterde niemand die illusie. Maar elders in Europa zag men de forse nederlaag van de PVV, en het uitblijven van winst bij de SP, aan voor een keerpunt. Nederland zou voortaan weer zonder reserves pal staan voor verdere Europese integratie.

Verrassend lang heeft dat misverstand standgehouden. Maar begin deze maand meldde de Süddeutsche Zeitung verbaasd: De Nederlandse regering slaat een eurosceptische toon aan. Tja, wie had dat nou gedacht? De aanvankelijke interpretatie van de verkiezingen was verkeerd „zo blijkt nu”, schreef de krant. „Het anti-Brussel-gevoel heeft zich verder verspreid, tot in alle politieke partijen.”

Ook de Frankfurter Allgemeine moest haar beeld van Nederland bijstellen. De huidige regering wordt weliswaar niet meer gesteund door „de rechtse populist en Europa-tegenstander Geert Wilders”, maar „de eurosceptische stromingen onder de bevolking hebben nu ook de grote partijen in Nederland volledig in hun greep.” En zo is het.

De schellen waren de Duitsers van de ogen gevallen door een brief die minister Timmermans eind juni aan de Tweede Kamer stuurde. De toon was inderdaad opmerkelijk eurosceptisch. De tijd van een ‘ever closer union’ op elk beleidsterrein is voorbij, schreef de minister, de drie sleutelwoorden citerend uit de eerste zin van de preambule van het Verdrag van Rome. Ook noemde hij 54 terreinen waarop Nederland geen Europese bemoeienis zal dulden.

Ferme taal, constateerde deze krant, maar niet veel nieuws. De toon kwam wel tegemoet aan de eurosceptische stemming in het land, maar tegelijk sprak de brief steun uit voor de nieuwe Europese integratieprojecten die de financiële crisis moeten bedwingen.

Vandaar het motto van het kabinet: nationaal doen wat nationaal kan, Europees wat Europees moet. Een mooie leus, maar om nu te zeggen dat Nederland daarmee zijn oude EU-beleid opgeeft, zoals de Frankfurter schreef... Van oudsher is dit al een principe van de EU, het zogeheten subsidiariteitsbeginsel.

Er is wel iets ánders aan de hand: zo langzamerhand is iedereen in Nederland eurosceptisch geworden. Nederland heeft altijd gereserveerd tegenover Europa gestaan, alleen hebben we dat lang verborgen weten te houden, schreef correspondent Caroline de Gruyter eind april in een boeiend stuk met de kop ‘Europa was nooit onze ware liefde’. Nu wordt de scepsis openlijk beleden.

Maar scepsis is twijfel, gezonde twijfel zou je kunnen zeggen, en zeker niet hetzelfde als afwijzing. Daarover maakt J.L. Heldring, met zijn scherpe taalgevoel, een treffende opmerking in het enkele maanden voor zijn dood verschenen boekje Onze eeuw, vier gesprekken met André Spoor. „Ik sta inderdaad bekend als euroscepticus, en niet ten onrechte”, zegt Heldring. „In het Nederlandse en het Engelse taalgebruik is een euroscepticus een eurohater, iemand die tegen de eenheid van Europa is. Dat ben ik niet. Ik ben er sceptisch over.” Iets verder zegt hij dat je niet, zoals Wilders wil, buiten Europa kan blijven. „Je moet meedoen.”

In de aanloop naar de Europese verkiezingen, volgend jaar, zal nog veel getwist worden over nut en nadeel van de EU. Maar het woord ‘eurosceptisch’ is daarbij eigenlijk niet meer bruikbaar. Want wat heb je aan een term waar zowel de voorstanders van uittreding uit de Unie onder vallen (volgens een recente peiling van Gallup 39 procent van de Nederlanders), als zij die er ondanks bedenkingen het beste van willen maken – omdat je, zoals Heldring zegt, „economisch verweven bent en bovendien een geopolitiek deel bent van Europa. Daar kan je niet uitstappen”.