Zelfremmende voorsprong

De nieuwste Mercedes S is de beste auto ter wereld, zegt Mercedes-Benz. Maar waarom heeft hij dan zo’n fout imago?

Alles grosser und besser – dat is de S-Klasse. Ik heb begrip voor wie zijn Grote Duitse droom omhelst. Voor de prijs van een halve Panda kocht ik twee jaar geleden zelf zo’n tank, achttien jaar oud, rood en reusachtig. Zo trad ik toe tot het Mercedeslegioen van dictatoren, CEO’s, kampers, rappers, liefhebbers, een enkele chirurg en Gerard Joling. De beschaafde S-klasse-bestuurder, hij bestaat, ontkomt niet aan de vraag wat hij gemeen heeft met Die Anderen. Er zijn foute BMW- en foute Audi-rijders, maar beide merken hebben niet in de verste verte dat appeal op de verkeerde klanten.

De meest waarschijnlijke verklaring is dat Mercedes meer prestige heeft. Het bouwt veel langer auto’s voor de oude bovenklasse dan de concurrentie. De traditionele S-klasse-rijder was een soort Derrick zonder oorlogsverleden. Zijn auto had een burgerlijke eerbaarheid die rijk geworden rappers uit rancune kaapten, hun onderbuikgevoel zei: nu wij. De S-klasse is de meest schizofrene auto op aarde. Het is zijn respectabiliteit die hem verdoemt. Hij werd zo fout omdat hij deugde.

Ik ben in Canada op persreis met de S 350 BlueTEC, een onhoorbaar stille zescilinder diesel. De collega’s en ik, we reizen samen, doden de tijd met goede gesprekken en inspectie van de gadgets. De kleur van de sfeerverlichting, een gelikte led-streep in het dashboard en de deuren, is instelbaar. Wij gaan voor paars, maar wit kan ook. In mijn rugleuning vibreert met zachte hand het kneedgereedschap van de stoelmassage. Op het stuur vind ik twaalf knoppen die de digibeet doen gissen naar hun functie. Raketten afvuren? De paus bellen? Het antwoord staat in een instructieboekje dat ik niet zal lezen. De auto rijdt subliem, dat vind ik mooi genoeg.

Ik leer een les. Volmaakt comfort is niet genoeg meer. Een S-klasse moet scoren op bling en technologie. De nieuwe wordt leverbaar met zilvergrijs gespoten houten sierdelen. De beoogde nieuwe S-rijder is Chinese nouveau riche van veertig, mensen die hun smaak opdeden in designhotels. De oude Europese geldelite is geen groeimarkt meer. In ons land is de topklasse zo goed als dood.

We zijn onderweg van Toronto naar een vliegveld waar Mercedestechneuten de veiligheidssystemen zullen demonstreren. Een jonge Mercedesingenieur, meer meisje dan mevrouw, rijdt met 50 kilometer per uur op een wegversperring af. De S-klasse remt zelf. Op twee decimeter van het obstakel staat hij stil. „Ziet u?”, zegt de blozende bestuurder, „ik heb geen pedaal aangeraakt.” Haar trots raakt me meer dan de techniek.

De nieuwe S-klasse moet een wel heel bijzondere auto zijn, dat Mercedes-Benz de wereldpers naar Canada laat komen voor de eerste kennismaking. Zijn vaderland was logischer geweest, daar mag hij wel 250. Het is De Beste Auto Van De Wereld, zegt ontwikkelingschef dr. Hermann-Joseph Storp, bijgenaamd Herman the German. Dan mag je uitpakken, blijkbaar. „Ladies and gentlemen, Hurmun duh Djzurmun!”, knauwt de Canadese presentatrice die hem interviewt bij het diner. Hurmun vindt alles best. De titel drijft aanvaardbaar mild de spot met de absurditeit van zijn opgave. De vorige S-klasse was al ongeveer de beste auto van de wereld, net als die andere beste auto’s van de wereld: de BMW 7-serie, de Audi A8, de Lexus LS. Dr. Storp moet God groter maken, onbegonnen werk.

Maar zijn kind kan kunstjes die geen tweede auto kan. Herman the German licht de highlights toe. Aan boord is een nachtcamera die in de duisternis tot 350 meter ver ziet. De livebeelden verschijnen op je dashboard. Die ti-ta-tovertruc kon de vorige S-klasse ook al. Nieuw is dat de nachtkijker naast voetgangers ditmaal ook dieren identificeert. De mens wordt door de ledkoplampen van de S-klasse gewaarschuwd met een lichtsignaal; dieren niet, omdat hun reacties op ‘lichtprikkels’ volgens Mercedes onvoorspelbaar zijn. Het scherm boven Herman the German toont beelden van een lachende eland, voor uitsterven behoed dankzij Mercedes-Benz.

Wat de S-klasse ook kan is zelf sturen. Een beetje. Mercedes-Benz slaat met de S-Klasse de weg in naar de zelfrijdende auto, ‘autonomous driving’. Doel, meldt dr. Storp, is ‘accident free driving’. De auto is voorzien van Steering Assist, een systeem dat bijstuurt wanneer je de rijstrook dreigt te verlaten. De S stuurt autonoom een bocht in die je daarna nog wel zelf af moet maken. Half werk? De toekomst is misschien niet af, hij is begonnen.

De S-klasse, zegt Herman the German, is een ‘universal genius’, een Leonardo da Vinci op wielen. Boven zijn hoofd verschijnt een afbeelding van Leonardo’s Mens van Vitruvius. Retorisch vraagt hij: „Is het niet allemaal een beetje veel voor een auto?” Natuurlijk niet. Relativeren kan niet met een S-Klasse. Ik betrap mezelf op een begin van meligheid. Het lijkt op het gevoel dat me bekroop toen ik de mijne kocht. Dat ging zo. Ik was gevallen voor zijn grootheid. Thuis had ik het niet durven zeggen. Onvoorbereid zag mijn echtgenote mij het erf oprijden en prevelde een onsterfelijk woest ‘godverdomme’. Die avond werd het niet gezellig meer. Waarom toch?, mokte ik, maar een opkomend schuldgevoel leerde me het monster door haar ogen te bezien. Daar stond een auto van vijf meter elf lang, een meter negentig breed, een vijftig hoog, tweeduizend kilo. Een vrachtwagen. Absurd.

Ik haat hem, zei ze.

We gingen er nog wel mee op vakantie. Maar mijn S, het roemruchte W140-model, was een keerpunt. In de genealogie van de S-klasse trouwens ook. Zijn bijnaam werd De Kathedraal, dat zegt genoeg. Zijn formaat ging zelfs ten opzichte van zijn niet geringe voorgangers alle perken te buiten.

Helmut Kohl

Grote auto’s bouwde Mercedes voor de oorlog al. De eerste S-klasse die zo heette kwam in 1972 op de markt, het type W116. In 1979 werd de opvolger gepresenteerd, de W126, die tot 1991 werd gebouwd. Een Grolsch-auto; vakmanschap was meesterschap. Bijna twintig jaar bleef de Mercedes S-Klasse onbetwist de grootste en beste Duitse limousine. Toen ging het mis. In een veranderde wereld, waarin Mercedes de hete adem van Audi en BMW in de nek begon te voelen en Lexus in 1989 het merkenestablishment de stuipen op het lijf had gejaagd met de perfecte LS 400, was powerplay vereist om nummer 1 te blijven. In 1991 presenteerde het merk de W140. Voor het eerst kwam er een twaalfcilinder. Dat moest, want BMW had er ook een. De journalisten die hem voor het eerst zagen hapten naar adem. „Hij is inderdaad een beetje groot geworden”, pareerde een Mercedesman verbouwereerd. Zelfs voor de Duitsers was de reus een brug te ver. De fans noemden hem ironisch Helmut Kohl.

Toen is de Grote Duitse Droom op drift geraakt.

In 1997 presenteerde Mercedes een kleinere en zachter gelijnde opvolger, de W220, die op een normale auto leek. Gunst, ze hebben hem entnazifiziert, hoorde ik iemand zeggen. Bij nader inzien vonden ze hem bij Mercedes toch te weinig imposant. De volgende S-klasse was weer vetter en kwalitatief superieur aan zijn roestende voorganger; de nieuwe is de mooiste sinds de elegante 126, dik maar fatsoenlijk. Desondanks zal hij nooit meer worden wat hij was; zijn kalme, degelijke zelf van de Grolsch-jaren. Zijn lot is dat hij zelf moet remmen om zijn eer te redden. Subliem is niet genoeg, hij moet vooroplopen. Zijn laatste strohalm is de toekomst van Herman the German, die over twintig jaar wellicht mijn heden is. Stel dat ik weer val. ‘Godverdomme.’