Township, kostschool, Tourwinnaar

Chris Froome gaat de Tour winnen. Hij paart Europees bloed aan Afrikaanse roots. Hij is lief én dodelijk, koel maar ook vol vuur.

Froome: „Uit Afrika komt mijn passie om buiten te leven, om te fietsen.” Foto Cor Vos

Zonder fiets oogt hij als een ranke Britse schooljongen. Bescheiden, beleefd, verlegen, een beetje hulpeloos zelfs – als een goed opgevoede cricketer op een Zuid-Engelse kostschool. Zet hem op een zadel en hij verandert in een meedogenloos monster zonder remmingen, een energievat zonder zichtbare bodem.

Aanstaand Tourwinnaar Christopher Froome (28) is één van de meest ondoorgrondelijke renners in de honderdste editie van deze Tour die zondag wordt afgesloten in Parijs. Ontwapenend, maar tegelijkertijd genadeloos. Lief en dodelijk. Koel, maar vol vuur.

Misschien is het de combinatie van Europees bloed en Afrikaanse roots. Van de Keniaanse wildernis naar de Champs-Élysées: het levensverhaal van Chris Froome leest als een jongensboek. In de hooglanden buiten Nairobi, waar zijn Engelse grootouders naartoe waren verhuisd om een boerderij te beginnen, leerde Froome pas fietsen op zijn twaalfde. Hij was in de ban geraakt van Kenia’s beste renner, David Kinjah, die een wielerclub voor kansarme jongeren runt, de Safari Simbaz (safarileeuwen). Geld en fietsen zijn schaars in de township Kikuyu. „Kinjah leerde mij inzien dat je niet de beste fiets of perfecte omstandigheden nodig hebt”, zei Froome eerder dit jaar tegen The Guardian. „Je kunt gewoon op een fiets stappen en beginnen, het maakt niet uit waar je bent.”

En fietsen deed Froome – urenlang. Eerst op zijn mountainbike, eindeloze hoogteritten over Keniaanse landwegen. Op zijn veertiende stapte hij over naar de weg, nadat hij was verhuisd naar Zuid-Afrika en op een kostschool in Johannesburg terecht was gekomen. Ook daar trok hij zoveel mogelijk de wildernis in. „In Afrika groei je als kind waarschijnlijk anders op dan kinderen in Europa”, zei hij vorig jaar in deze krant. „Daar komt mijn passie vandaan om buiten te leven, om te fietsen.”

Maar Froome had grotere plannen. Hij wilde naar Europa, het kloppend hart van de wielerwereld. Begin dit jaar erkende hij, ook in The Guardian, dat hij zich in 2006 namens de Keniaanse wielerbond had ingeschreven voor het WK voor renners onder 23 jaar – stiekem. Omdat hij het wachtwoord kende van het e-mailadres van de bondsvoorzitter, kon Froome de internationale wielerunie (UCI) laten weten dat Kenia een renner zou sturen naar Salzburg.

Veel bereikte hij niet; al na 150 meter botste hij met zijn fiets op een official op het parcours.

Maar kenners zagen al snel zijn uitzonderlijke talenten, vooral in de bergen. Met de kleine Zuid-Afrikaanse ploeg Konica-Minolta reed hij in 2007 wedstrijden in Afrika en Azië, waaronder de Ronde van Japan. Die etappekoers leverde hem zelfs een contract op bij het door Nederlanders geleide Marco Polo Cycling Team. „We hadden in Japan gezien dat hij ongelooflijk goed kon klimmen”, zegt oud-manager Gudo Kramer. „En Chris wilde dolgraag wedstrijden in Europa rijden.”

Froome had zelfs „gesmeekt” om het contractje – en tekende. Maar kort daarna kreeg hij spijt, zegt Kramer. „Een paar weken later belde hij met een bevend stemmetje om te vragen of hij er nog onderuit kon.”

Froome had een aanbieding gekregen van het Zuid-Afrikaans-Britse Barloworld, met Robbie Hunter. Die ploeg kon hem een salaris bieden. Hoe jammer Kramer het ook vond, hij deed er niet moeilijk over en gooide het contract in de prullenbak. „Wij waren een derdedivisieploeg”, zegt hij. „Chris kon bij ons kostenloos zijn sport bedrijven, maar wij konden hem geen realistisch salaris bieden. Barloworld kon dat wel. Je moet als ploeg gewoon je plaats kennen. Je bent geen eigenaar van het talent van zo’n jongen.”

Wat Kramer vooral opviel aan Froome in die korte periode was diens bescheidenheid. „Het is een verschrikkelijk aardige, correcte jongen. Hij had ook niet gebeld om te zeggen dat hij iets beters had – zoek het maar uit. Ik ken genoeg renners die dat wel hadden gedaan. Hij was enorm dankbaar dat wij dat contract wilden verscheuren. Drie jaar later, toen ik hem in Zuid-Afrika tegenkwam, kwam hij spontaan naar me toe om me nog te bedanken. Dat nette gedrag is niet gespeeld.”

B ij zijn Tourdebuut in 2008 reed Froome naar Alpe d’Huez direct met de besten mee omhoog. De wereld lag aan zijn voeten. Maar daarna begon hij te kwakkelen met zijn gezondheid. Een erfenis uit zijn Afrikaanse jeugd, zo bleek later. Zijn constante vermoeidheid was terug te voeren op bilharzia, een ziekte die wordt veroorzaakt door een parasitaire zoetwaterworm die veel voorkomt in Afrika. Drie Tours moest hij laten lopen voordat de oorzaak was gevonden – door een arts in Kenia.

Na zijn herstel kwam de echte doorbraak. Vorig jaar hield Froome zich in de Tour, na stalorders van Team Sky, nog zichtbaar in, om zijn kopman Bradley Wiggins niet te schofferen. „Op een dag kan hij de Tour winnen”, zei Wiggins toen al over zijn ploegmaat.

Maar Froome wist al lang dat zijn tijd veel eerder zou komen. Naar buiten mag hij bescheiden zijn, van binnen is hij overtuigd van zijn uitzonderlijke klasse.

Zijn Afrikaanse verleden wurmt zich als een rode draad tussen zijn successen door. Met zijn gruwelijk zware trainingsregime legde hij onder de Zuid-Afrikaanse zomerzon afgelopen winter de basis voor het succes van de Europese zomer.

Voor zijn ontwikkeling, fysiek en mentaal, ligt de sleutel in het continent van zijn jeugd. Vanuit een township in Kenia opklimmen tot profrenner in Europa kweekt bijzondere eigenschappen, zegt Gudo Kramer. „Chris heeft als jong mannetje in Kenia en in Zuid-Afrika altijd zijn eigen boontjes moeten doppen, alles voor zichzelf moeten regelen om wielrenner te worden. Hij werd in Kenia geen renner omdat zijn vader dat was, of zijn buurman. Daar zit bij hem een enorme autonome motivatie achter. Daarom is hij nu ook niet bang als hij er een keer alleen voor staat, veel minder dan een renner die in een beschermde omgeving is opgegroeid en al vanaf de junioren goed wordt verzorgd.”

D ie onverstoorbaarheid bij tegenslag demonstreerde Froome deze zomer in de Tour verschillende keren, vooral in die loodzware negende etappe, van Saint-Girons naar Bagnères-de-Bigorre in de Pyreneeën, waar al zijn collega’s uit de Skyploeg eraf werden gereden. Moederziel alleen pareerde Froome aanval na aanval, en verloor uiteindelijk geen seconde op de andere klassementsrenners.

De vraag is of dat zal veranderen als de druk op zijn schouders toeneemt. De laatste Tourweek etaleerde Froome de eerste onkarakteristieke trekjes. Afgelopen maandag werd hij in Orange door een vijandig blok Britse journalisten tot op het bot beledigd toen zij hem vroegen te bewijzen dat hij zijn bijzondere prestaties verricht zonder hulp van doping. Het was een dag na de mooiste zege van zijn leven, op de Mont Ventoux, en doping was het enige waar de media in geïnteresseerd waren.

Het incident – Froome liep boos weg bij de persconferentie – toonde aan dat hij allerminst een robot is, in elkaar geschroefd door de wetenschappelijk geschoolde programmeurs van Team Sky.

Ook in de koers is hij, ondanks zijn dominantie in de bergen, gewoon maar een mens, zo bleek tijdens de achttiende etappe, met de dubbele beklimming naar Alpe d’Huez. In de tweede omloop maakte Froome een foutje dat hem zeer duur had kunnen komen te staan, toen hij te laat was met eten. Vier kilometer voor de finish liet hij, tegen de reglementen in, een energie-gel aanrukken om een opkomende hongerklop de kop in te drukken. Die ingreep leverde hem wel een tijdstraf op van twintig seconden.

Hij nam het op de koop toe, want Chris Froome neemt het leven zoals het komt. Zoals hij vorig jaar zonder al te veel morren koerste voor zijn kopman Wiggins, ook al was de knecht bergop sterker. Froome moest zich altijd aanpassen. In zijn jeugd stortte hij zich als blank jochie vol overgave op het fietsen tussen de eenvoudige huisjes van een Keniaanse township. Nu wordt hij bij de meest professionele wielerploeg op aarde met hoge snelheid vervoerd in glimmend zwarte Jaguars.

De vraag is hoe hij zal omgaan met de druk die hoort bij zijn nieuwe leven als topfavoriet, verzekerd van de constante aandacht van de Britse sportpers. Zijn eerste confrontaties herinnerden de gentleman-wielrenner er nog maar eens aan dat de natuurlijke vijanden die hij vroeger tegenkwam, bij zijn trainingsritten in de Grote Riftvallei, van een heel andere orde zijn dan die in zijn nieuwe vaderland. De leeuwen was hij altijd te snel af.