Smelten ijskappen nog niet te voorspellen

Een vissersboot vaart langs een grote ijsberg bij de Jakobshavn Gletsjer in West-Groenland. Foto Reuters

Het kan nog wel vijf tot tien jaar duren voor duidelijk wordt in welk tempo Antarctica en Groenland ijs verliezen. Pas dan kan een enigszins bruikbare voorspelling worden gedaan over het aantal centimeters waarmee de zeespiegel deze eeuw kan stijgen.

Dat bericht een internationale groep onderzoekers deze week in Nature Geoscience. De groep met Bert Wouters als eerste auteur, wordt gedomineerd door Nederlanders.

De uitkomst van de methodologische studie lijkt weinig verrassend: het laatste rapport van het VN-klimaatpanel IPCC (2007) moest ook al erkennen dat er weinig zicht is op het lange-termijn-gedrag van de ijskappen. Vlak voor het rapport verscheen deden zich opeens heftige ontwikkelingen (‘rapid dynamical changes’) voor aan de zuidpool die niet goed meer te verwerken vielen.

Het gaat om de de vraag of de twee ijskappen onder invloed van de klimaatverandering in een constant tempo ijs verliezen of dat het steeds harder gaat, dus dat er sprake is van versneld ijsverlies. In dat laatste geval kan de zeespiegelstijging wel twee keer hoger uitvallen dan het IPCC in 2007 nog aannam (dat was: 20 tot 60 cm tussen 1990 en 2095).

Omdat er geen goede modellen zijn die het gedrag van het ijs in de ijskappen beschrijven, berusten voorspellingen voornamelijk op het doortrekken (extrapoleren) van trends die zijn waargenomen.

Er zijn twee methoden voor het schatten van het ijsverlies. Men kan een massabalans opstellen door te meten en berekenen hoeveel sneeuw er jaarlijks op de ijskappen valt, hoeveel daarvan verdampt en smelt, en hoeveel ijsbergen van de randen van de ijskappen loslaten. Sinds tien jaar kan de hoeveelheid ijs ook worden afgeleid uit de invloed die het ijs heeft op het zwaartekrachtsveld. Die wordt door de twee GRACE-satellieten van de NASA gemeten.

In 2011 werd in Geophysical Research Letters (Eric Rignot) gemeld dat langs beide wegen versneld ijsverlies werd waargenomen. Rignot werkte samen met de Nederlanders die ook deze week publiceren: het werk van Universiteit Utrecht aan de massabalans wordt hoog gewaardeerd.

Het artikel moest in het midden laten of de waargenomen versnelling tijdelijk kon zijn en als natuurlijke variabiliteit moest worden beschouwd of dat hij een lange (‘seculiere’) trend aangaf.

De nieuwe studie geeft hierin meer inzicht. Uitgaande van de waargenomen grote variatie die zich voordoet in lokale sneeuwval, smelten en verdampen kan statistisch worden aangetoond dat het voor Antarctica in totaal zo’n tien jaar duurt voor de lange trend uit de ruis van de zwaartekrachtsmetingen tevoorschijn komt. Voor Groenland is dat zelfs twintig jaar. Het is dus van groot belang dat zwaartekrachtssatellieten in gebruik blijven.