Pleisterplaats van smokkelaars

wandelt deze zomer elke week naar een uitspanning. Deze week: boscafé Merlijn in Grafwegen.

Boscafé Merlijn in Grafwegen

Wie Nederlandse bossen te kleintjes en parkachtig vindt, moet eens naar het Reichswald gaan. De wandelaar voelt er zich klein, reusachtige naaldbomen reiken rondom hem tot in de hemel. Hoog opgestapeld liggen gevelde bomen aan weerszijden van kaarsrechte wegen waarlangs bosbouwers ze zullen afvoeren. Vandaag maken donkere wolken het er extra zwaarmoedig, al hebben de sparren nog groene uitlopers en licht in het woud opeens een bosweide stralend groen op.

Komt het doordat dit een grensstreek is, dat ik mij een beetje verlaten ga voelen? Zou je hier nog kunnen verdwalen? Amper heb ik mij dat afgevraagd, of ik besef dat ik de weg kwijt ben. Ergens moet ik in de routebeschrijving een aanwijzing gemist hebben, want waar ‘sparrenbos’ staat, zie ik overduidelijk loofbos. Er moeten hier twee paaltjes staan met cijfers en letters maar ik zie er geen een.

Op goed geluk ga ik verder. Op een kruising van boswegen kan ik vier kanten uit kijken, maar geen levende ziel of wegwijzer te bekennen en door de zware bewolking weet ik ook niet waar de zon staat. Zonder gevoel van richting stap ik maar stevig door. Het is een opluchting als ik in de verte een vrouw zie die in een weiland paarden aan het voeren is, maar als ik dichterbij kom verdwijnt ze in het bos.

Gelukkig staat voorbij het weiland een handwijzer half verborgen in het struikgewas: rechtdoor naar Gennep, terug naar Kranenburg, linksaf voor Groesbeek. Opgelucht volg ik een majestueuze bosrand langs golvende akkers met uitzicht op kleine dorpen. Dan zie ik opeens een half-Duitse, half-Nederlandse vlag wapperen. Verscholen in de toegang tot het donkere woud ligt hier het boscafé Merlijn.

Vroeger, al voor de oorlog, was het een geliefde pleisterplaats van smokkelaars met dorst en sterke verhalen. Zoals over de man die steeds op een fiets zware vrachten over de grens bracht, zonder dat commiezen daarin ooit contrabande vonden – en die jaren later verklapte dat hij al die tijd fietsen had gesmokkeld. Er hangen geweien aan de houten wanden rond de betegelde schouw en twee zigeuners hebben hun viool, accordeon en bas onder een tafel gelegd.

Ik bestel koffie met appeltaart in de tuin waar klimop woekert en een scheefgezakte volière staat. Je zou hier langzaam dronken kunnen worden, maar ik wil verder richting Groesbeek, voor de bui losbarst. Gele lis bloeit uitbundig in de weelderige, natte weiden op een bodem van löss en leem en vlak voor mij danst een specht door de eikenlaan.

Net als ik het gehucht De Horst bereik, valt de eerste stuifregen, maar al bij de Mariakapel, vlakbij de bushalte, is het weer droog. Dat is wandelaarsgeluk.