Column

Onze moerstaal

De staatssecretaris van Onderwijs, Sander Dekker, wil dat de kinderen op de lagere school zo vroeg mogelijk Engels leren. Nu gebeurt dat pas in groep 7. Veel te laat. Als hij zijn zin krijgt, komt er ook een experiment waarbij twintig basisscholen de kans krijgen om met tweetalig onderwijs aan de slag te gaan. De leerlingen zullen dan 30 tot 50 procent van de tijd les krijgen in een vreemde taal, Duits, Engels of Frans. Als het een beetje wil, zijn we over een jaar of tien een volk van polyglotten. Laten we het hopen.

Volgens Wikipedia wonen er in Nederland op het ogenblik 250.000 volslagen analfabeten en 1,3 miljoen mensen die we laaggeletterd noemen, 7,9 procent van de bevolking. Die mensen kunnen hun naam spellen, heel eenvoudige teksten een beetje begrijpen, maar de bijsluiter van een medicijn, een recept of een proces-verbaal, dat lukt niet. In geen enkele taal. Van de kinderen tot 15 jaar is ongeveer 15 procent min of meer laaggeletterd. Daar ligt ook nog een prachtige taak voor de staatssecretaris.

De taal verandert voortdurend, door een ongeteld aantal invloeden, uitvindingen, nieuwe soorten van amusement, economische ontwikkelingen, de invloed van de godsdienst, wat heb je verder. Als premier Rutte het volk nu zou toespreken op de manier, de toon van zijn voorganger Hendrik Colijn, zou je denken dat hij medische hulp nodig had. En als Colijn met een grote hoed op, barstend van het lachen, in Texas was verschenen, zou je ook denken dat die man niet in orde was. Maar wij kijken er niet van op, denken hoogstens tut-tut, een beetje kalm Mark. Dat denken we vaker en daar blijft het bij.

Veranderingen in de taal voltrekken zich sluipenderwijs, en dan worden ze plotseling ontdekt en ze krijgen een naam. Zo hebben we aan de taalkundige Jan Stroop de ontdekking van het Poldernederlands te danken, waarin de ij en de ei als ai worden uitgesproken. Hij heeft er een essay over geschreven dat vijftien jaar geleden is verschenen. Ook aan ontdekkingen raak je gewend. Het Poldernederlands heeft de glans van de nieuwheid verloren. Een jaar of drie geleden kwam hij met zijn volgende ontdekking: het wauwelwoord. Een toevoegsel dat niets toevoegt aan de betekenis van de zin, maar dat toch om de haverklap gebruikt wordt. Het grote voorbeeld is zeg maar. Waarom doen ze het? Omdat ze lucht over hebben, denkt Stroop. Of omdat ze het van iemand anders hebben gehoord, en denken: dat klinkt interessant. Ik weet het niet. In ieder geval vliegen de ‘zegmaars’ je om de oren.

Ook van de wauwelwoorden kijken we niet meer op. Soms zit ik in een tram vol met pubers die naar school gaan. Deze keer zaten aan de overkant van het gangpad twee meisjes van een jaar of vijftien in druk gesprek. Eén op de twee zinnen eindigde met ofzo. Eén of de vijf in: Toch? Ik ging tellen. Acht haltes verder hadden ze 43 keer ofzo gezegd. Ik was waar ik moest zijn. Zou ik naar de dames toegaan en dat vertellen? Ik heb me bedwongen. Ze hadden het niet begrepen en nadat ik was uitgestapt tegen elkaar gezegd: Zeker een ouwe gek ofzo.

Terug naar het plan van de staatssecretaris. In feite zijn we al tweetalig en dat worden we iedere dag meer. Vier jaar geleden verscheen bij de Uitgeverij Bert Bakker het boekje Funshoppen in het Nederlands. Woordenlijst onnodig Engels. Daarin staan ongeveer vijfduizend woorden van Engelse oorsprong die in ons spraakgebruik zijn opgenomen of in ieder geval vrijwel algemeen begrepen worden.

Onlangs is hier in een bepaalde streek een epidemie van mazelen uitgebroken. De bewoners daar hadden op het advies van God hun kinderen niet laten inenten. Deze streek werd in het nieuws de Biblebelt genoemd. Alleen de nieuwslezeres van het NOS journaal had het over de Bijbelgordel. Laten we haar de Willemsorde geven, stelde ik mijn meelpèl voor. We wisselen digitaal de courante taalkundige misstanden uit en we maken een woordenboekje. Toch nog even in Funshoppen gekeken. Daar staat het al, tussen biased en big bag.

Taalkundig gesproken zijn we een gemakzuchtig, slordig en nederig volk. Met ons onderwijs experimenteren we het nageslacht tot radeloosheid. In de sport en de reclame is het Nederlands al in ruime mate door het Engels verdrongen; niet het King’s English maar het steenkolenengels, de koeterwaalse versie. En het fatsoenlijke Nederlands – fatsoenlijk in de zin van grammaticaal en naar woordkeus in orde – raakt ook verder in verval. Raadpleeg de reacties van lezers op de internetkrant nu.nl en u begrijpt wat ik bedoel. Wat moeten we doen? Terug naar het leesplankje? Vraag het de staatssecretaris.