‘Notarissen zorgden dat onteigening Joden vlot verliep’

Nederlandse notarissen verdienden veel geld door mee te werken aan de diefstal van Joods vastgoed. „Het is onder het tapijt geveegd.”

Notaris Jan Geert van Russen uit Groningen. Afbeeldingen NIOD

De Nederlandse Spoorwegen, de advocatuur, de politie en zelfs de Hoge Raad: allemaal hebben ze onderzoek laten doen naar collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eén belangrijke beroepsgroep vormt hierop een uitzondering: het notariaat. Maar die wordt nu onder de loep genomen door historicus Raymund Schütz, die promoveert aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Volgens Schütz komt, ondanks de toenemende aandacht voor de juridische aspecten van de Holocaust, het notariaat er in de geschiedschrijving „bekaaid” vanaf.

Naar schatting 20.000 Joodse panden zijn tijdens de oorlog geroofd. Schütz ontdekte dat notarissen op grote schaal hebben meegewerkt aan het juridisch onteigenen van dit Joods vastgoed. Een deel van zijn onderzoek hiernaar publiceerde hij al in 2010 in een artikel in het Tijdschrift voor Geschiedenis.

Door mee te werken aan de roof hebben notarissen hun beroepsethiek geschonden, stelt Schütz. Bovendien verdienden ze er veel geld mee. Daarvoor is na de oorlog nooit verantwoording afgelegd. „Ik hoop dat daar nu eindelijk discussie over komt. ”

Welke rol hadden notarissen tijdens de oorlog?

„De toenmalige voorzitter van de Broederschap der Notarissen, waarbij bijna alle notarissen waren aangesloten, Libourel, zei dat hun rol beperkt was tot het maken van overdrachtsakten. Daarin hadden notarissen geen keus, zei hij. Als iemand voor een transactie bij hen kwam, moesten ze meewerken. Voor de rest zouden ze er niet betrokken bij zijn geweest. Bovendien, zei hij: een huis kun je niet stelen. Terwijl dat natuurlijk wel is gebeurd.”

De notarissen zeiden: wij wisten niet van wie die huizen waren.

„Daar komt het voor een groot deel op neer. Uit mijn onderzoek blijkt dat ze het wel wisten.”

Joden moesten in de oorlog hun bezit in de vorm van spaarrekeningen, aandelen en onroerend goed melden bij de bezetter. De Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV) kreeg het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed, met als doel onteigening en verkoop van de panden.

Schütz: „Het idee hierachter was heel cynisch: we pakken het geld van de Joden zodat we hen daarmee kunnen uitroeien. Concentratiekampen en deporaties zijn op deze manier gefinancierd. Het welslagen van die politiek hing af van de medewerking van het ambtelijk en juridisch systeem.”

De promovendus pakt een groot, vergeeld opschrijfboek met harde kaft. Het is het repertorium van de Rotterdamse notaris Eliza J.M. de Kat. Daarin hield hij tijdens de oorlog de activiteit van zijn kantoor bij.

„Hier is het bewijs”, zegt Schütz, wijzend op een blokje tekst in het repertorium. Het is de samenvatting van een transactie van zes panden aan de Bergselaan in Rotterdam. Genoteerd zijn de opdrachtgever, Niederländische Grundstücksverwaltung, en de namen van de Joodse eigenaren die het huis in 1930 hadden gekocht; Rinkel en Leuvenberg. En tot slot aan wie het huis is verkocht: ene Mc Farlane. „De notarissen wisten door hun onderzoek in onder meer het kadaster wel degelijk van wie het vastgoed was.”

Hoeveel verdienden notarissen aan de Joodse panden?

„Er is flink verdiend aan deze transacties. Hoeveel, dat verschilt per notaris. De Kat was een van de grootverdieners. Hij maakte 237 aktes op en verdiende daarmee 49.504 gulden. Hoeveel er in totaal is verdiend met deze praktijk, valt moeilijk te achterhalen.”

Welke gedragsregel overtraden notarissen door mee te werken aan de onteigening van Joods eigendom?

„De notaris moet volgens zijn beroepsethiek de belangen behartigen van alle partijen. Hier zijn de belangen van de Joodse eigenaren van het pand niet meegenomen. Zij zijn buiten de transactie geplaatst. Daarmee is de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid geschonden, terwijl de notaris die moet waarborgen.

„Er is een notaris geweest, Kruisinga, die dit probleem heeft aangekaart. Ook de Amsterdamse notaris Ruis was er faliekant op tegen – hij zat ook in het verzet en is om die reden omgebracht. Er werd dus wel degelijk binnen de beroepsgroep erkend dat deze praktijk niet deugde. Toch hebben veel notarissen er aan meegewerkt.”

Hadden notarissen kunnen weigeren?

„Achteraf is het is makkelijk om te zeggen: ik zou niet hebben meegewerkt met de Duitsers. Weigeren is moeilijk in zo’n situatie. Daarom conformeerde een hele laag functionarissen zich aan de bezetter: burgemeesters, ambtenaren, zelfs de politie, die Joodse kinderen oppakte.

„Maar niet iedereen verdiende er geld aan, zoals de notarissen. Die hadden het invoeren van de maatregelen ook kunnen vertragen en praktische bezwaren kunnen opwerpen. De zaak traineren. Maar de Broederschap der Notarissen deed het tegenovergestelde. Die heeft er juist voor gezorgd dat het allemaal vlot en snel verliep.”

Hoeveel notarissen collaboreerden met de bezetter?

„In de regio Rotterdam is van de vijftig notarissen er maar één geweest die helemaal niet heeft meegewerkt. Voor de rest van Nederland heb ik dat overzicht nog niet. Dat probeer ik de komende twee jaar te reconstrueren.”

Vlak na de oorlog werden er zuiveringscommissies ingesteld om de beroepsgroep te controleren op collaboratie. Schütz: „De overheid hoopte dat alleen de notarissen die NSB-lid waren geweest aan deze praktijken hadden meegewerkt. Dat waren er namelijk niet zo veel – enkele tientallen – en die zijn ook uit de beroepsgroep gegooid.” Maar toen de rest van beroepsgroep werd gecontroleerd, bleken veel meer notarissen te hebben gecollaboreerd.

Dat was problematisch. Minister van Justitie Van Maarseveen (KVP) wilde niet dat al die notarissen strafrechtelijk vervolgd zouden worden. Anders zouden te veel notarissen een strafblad krijgen. „Het notariaat werd gezien als een belangrijke club, die je niet zomaar kon aanpakken”, zegt Schütz. Daarom werd er op het ministerie een regeling bedacht: notarissen moesten zelf opgeven hoeveel ze aan de aktes hadden verdiend en daarvan moesten ze zestig procent teruggeven. Dat werd gecontroleerd door het ministerie.

Toch waren er veel notarissen die onderhandelden over de teruggave, zegt Schütz. „Ze kwamen met allerlei excuses. Dat ze er eigenlijk veel minder aan hadden verdiend dan berekend was. Of dat hun vrouw ziek was. Uiteindelijk is er met de teruggave van veel notarissen heel coulant omgegaan.”

Het Openbaar Ministerie in Rotterdam vervolgde intussen toch nog zes notarissen, maar de minister greep in, zegt Schütz. „Er ging een telefoontje van een hoge ambtenaar van het ministerie van Justitie naar het OM in Rotterdam, waarna de rechtszaken werden geseponeerd. Daarmee werden ook alle andere zaken in het land stilgelegd, die nog niet klaar waren om voor de rechter te komen.”

De zuivering van de beroepsgroep vond geheel achter gesloten deuren plaats. Wat heeft dat voor consequenties gehad?

„Alle randvoorwaarden voor de manier waarop ze beoordeeld werden, hebben notarissen zelf kunnen bepalen. In dit proces werd niet degene schadeloos gesteld die de schade had geleden. Er werd een bedrag in een pot gestopt, dat onder voorwaarde van geheimhouding aan twee instellingen is gegeven: de Stichting 1940-1945 en Joods Maatschappelijk Werk. Het is onbekend wat er met het geld is gebeurd.

„Een oordeel over het handelen van notarissen in de oorlog is niet uitgesproken. Sterker nog: het is onder het tapijt geveegd. Andere collaborateurs werden voor de rechter gebracht. Dat is bij de notarissen niet gebeurd.”