Monument van een onvervuld verlangen

De kunstcollectie van Dirk en Baukje Scheringa is verkocht. Betrokkenen kijken terug op de snelle opkomst en abrupte ondergang van het Scheringa Museum voor Realistische Kunst. „Wij waren er voor de kunsthistorische kennis. Dirk was van het geld.”

Het was een bijzonder leven, zeggen de toenmalige museumdirecteur en de ‘junior conservator’. Beiden nog twintiger en in hun eerste baan, vliegen ze met het privévliegtuig van Dirk Scheringa naar Art Basel en naar veilingen in Londen en New York. Ze geven grote hoeveelheden geld uit aan twintigste-eeuwse realistische kunst waar musea als het Stedelijk in Amsterdam en Boijmans Van Beuningen jaloers op zijn. Een Freud? Een Botero? Het kan allemaal.

Dit hadden ze zelf nooit kunnen bedenken. Emily Ansenk, de directeur, was op de kunstbeurs PAN in Amsterdam in contact gekomen met Scheringa, via een kennis. Ze stuurde daarna haar doctoraalscriptie over de magisch-realistische schilderkunst in Nederland naar hem op; een uitnodiging voor een gesprek volgde. Pas toen ze tegenover Scheringa zat, begreep ze dat het een sollicitatiegesprek was. „Opeens vroeg hij: wat maakt jou geschikt als directeur?”

Dat was in 1996, Ansenk was 25 jaar. Twee jaar later kwam de tweede kunsthistorica in dienst van Scheringa, Belia van der Giessen, destijds ook 25 jaar. Dan gaat het hard. In de hoogtijjaren die volgen, doen ze gemiddeld twee aankopen per week. Wanneer het faillissement van de DSB Bank in oktober 2009 de kunsttak van Scheringa’s imperium in de val meesleurt, bestaat de collectie uit 700 schilderijen, 27 sculpturen, 426 werken op papier, 57 foto’s en 62 modecreaties. Het museum heeft op dat moment 23 werknemers in dienst en de ondersteunende vriendenkring telt zo’n driehonderd personen.

Ze kochten het werk voor het Frisia Museum, gevestigd in een voormalige huishoudschool in Spanbroek. Later kopen ze voor het Scheringa Museum voor Realisme, dat Scheringa liet bouwen in Opmeer, enkele kilometers van het DSB-hoofdkantoor in Wognum. Het moest een van de grootste musea van Nederland worden, met ruimte voor dertig tentoonstellingzalen, een auditorium, een café, een winkel en een educatie- en studiecentrum.

Het heeft niet zo mogen zijn. Het gebouw, voor 80 procent voltooid, staat momenteel te verpieteren in hoog gras achter meters lang hekwerk. De curator verwacht dat de schuldeisers nog een bedrag tussen de 80 en 95 miljoen euro te goed hebben. Er is nog 425.000 euro in kas. Alle pogingen om het onafgebouwde museumpand te verkopen of te verhuren, zijn tot nu toe mislukt. Voor de sloop is geen geld. Dus staat het gebouw er nog, als monument van een groot onvervuld verlangen.

En de kunst? Die is verkocht. Onlangs is in New York het laatste kunstwerk onder de hamer gegaan: een bronzen beeld van de Colombiaan Fernando Botero, een naakt danspaar. In totaal heeft de verkoop 32 miljoen euro opgebracht. Dat gaat naar de Deutsche Bank, die nog 66,2 miljoen euro te goed heeft van DS Art. De opbrengst is hoger dan curator Marcel Groenwegen durfde te hopen, maar minder dan Scheringa ervoor heeft betaald.

Het imperium van Dirk Scheringa is wel omschreven als ‘het wonder van Wognum’. Dat wonder begint wanneer Scheringa als wachtmeester bij de rijkspolitie zijn familie, vrienden en collega’s helpt met het invullen van belastingformulieren. In 1975 richt hij met zijn vrouw Baukje een financieel adviesbureau op. Dat groeit uit tot een bank met 350.000 rekeninghouders. Alles lijkt te lukken: ‘miljardair’ Scheringa maakt de armlastige voetbalclub AZ landskampioen, sponsort schaatsploegen en biedt zichzelf in politiek Den Haag aan als ‘crisismanager’.

De passie van Dirk en Baukje Scheringa voor kunst is al net zo’n wonderbaarlijk verhaal. Tien betrokkenen vertellen erover. De hoofdrolspelers zelf bedanken voor een vraaggesprek. „Te pijnlijk”, zegt Dirk Scheringa. Als zoon van een kaasmaker hoorde hij nooit over kunst. Pas op het einde van de jaren tachtig, Scheringa is 38, koopt hij zijn eerste kunstwerk. Het is een tamelijk abstract zelfportret van Carel Willink, een tekening die 3.900 gulden kost.

Niet veel later ziet Scheringa een tv-programma over Loek Brons, de textielbaron die kunsthandelaar werd. In diens huis hangen twintig schilderijen van Willink. Die televisiebeelden brengen Scheringa van zijn stuk. Willink, die begint als abstract werkende kunstenaar, maakt zich het realisme eigen op een manier die Scheringa ontroert. „Ik herken daarin iets van de selfmade man die ik zelf ook ben”, zegt hij in een interview. „Ik begon als leerling-handzetter, klom op tot assistent-accountant en werd vervolgens politieman.” Een jaar later koopt hij voor 200.000 gulden zijn eerste schilderij van Willink. De betaling loopt via zijn eigen bedrijf, Frisia Financieringen.

In 1993 verkopen de Scheringa’s hun dan nog bescheiden privéverzameling aan een nieuwe tak van hun bedrijf, DS Art. In die vennootschap zijn de collectie en de exploitatie van het museum ondergebracht. Alle werken die daarna worden verworven, staan op naam van die bv. Loek Brons is inmiddels de vaste leverancier. In 1995 betaalt het echtpaar voor het eerst een miljoen gulden voor een schilderij, een doek van Willink. Scheringa aarzelt lang, maar Brons verleidt hem met een gespreide betalingsregeling, een financieringsmethode waar DSB groot mee is geworden. Tien jaar lang krijgt de kunsthandelaar maandelijks 8.333,33 gulden overgemaakt.

Twee jaar later bezitten de Scheringa’s meer kunst dan ze kunnen ophangen: doorgaans een memorabel moment voor een verzamelaar. Terwijl ze maar één keer in hun leven een museum hebben bezocht, in Spanje, besluiten ze er zelf een te beginnen. Een ‘Willinkmuseum’, maar dat plan sneuvelt omdat weduwe Sylvia haar medewerking intrekt als Scheringa het schilderij Afscheid van Mathilde koopt, een portret van een eerdere levenspartner van Willink. Op advies van Brons schakelt Scheringa professionele hulp in, waarna hij Ansenk aanneemt, de net afgestudeerde kunsthistorica met de scriptie over het magisch realisme.

Als directeur moet ze bij nul beginnen. Er is geen tentoonstellingsprogramma, het gebouw roept om een verbouwing en de verzameling is niet indrukwekkend. „Een paar mooie Willinks, maar ook nogal wat slechte stukken.” In 1997, een jaar later, opent het Frisia Museum de deuren met Ansenk en een receptioniste als enige betaalde krachten; een legertje vrijwilligers doet de rest. Zonder bruiklenen krijgt ze de wanden niet vol. Toch verwelkomt ze in het eerste jaar zo’n 30.000 bezoekers.

In het eerste collectieplan van Ansenk richt het museum zich op de vijf belangrijkste magisch-realisten van Nederland, Hynckes, Ket, Koch, Schuhmacher en Willink. Met advertenties in het Financieele Dagblad laat het museum weten op zoek te zijn naar hun werk. Ook doet het museum een oproep om kunstwerken te legateren: ‘Schenkingen kunnen voor particulieren belastingvoordelen opleveren’. Vanaf 2002, als het aanbod van de Kochs en Willinks opdroogt, verbreedt het museum het blikveld, naar vernieuwend internationaal realisme van de 20ste en 21ste eeuw. Ansenk herinnert zich hoe Scheringa de eerste jaren hecht aan een precieze schilderstijl: „Het ambachtelijke moest zichtbaar zijn gemaakt. Dat zie je wel meer bij zakenmensen die nieuw zijn in de kunstwereld.” Van der Giessen: „Dirk werd verliefd op een werk. Studeren deed hij niet, daar waren wij voor.”

Als ze met hedendaagse kunstenaars aankomen, vinden de Scheringa’s het snel te confronterend. Maar hun smaak ontwikkelt zich snel. Ansenk legt de naakten van Schuhmacher en Freud naast elkaar. „Hier zie je die enorme ontwikkeling.” Van lieflijk en realistisch tot rauw en recht voor de raap.

Het onderricht gaat ook de andere kant op. Als Scheringa telefoontjes krijgt over spelersaankopen of andere voetbalzaken, zet hij het gesprek op de speaker. Ansenk: „Eerst dacht ik: waarom? Later begreep ik het wel, zo onderwees hij mij. Dirk bood altijd de helft van de vraagprijs, of minder dan de helft.”

Eén keer per week worden mogelijke aankopen besproken. Als Scheringa met eigen favorieten komt, moeten Ansenk en Van der Giessen soms een plannetje bedenken om de verzamelaar op andere gedachten te brengen, zonder hem te beledigen. „Ze zeiden niet: Dirk, dit is wansmaak”, vertelt een toenmalig medewerker van het museum. „Ze zeiden dingen als: dit past niet in de collectie. Of: als je dan een werk van deze kunstenaar wilt, moet je later of eerder werk kopen. Of, daar was Dirk gevoelig voor: je betaalt te veel voor dit werk.”

In 2006 is de collectie inmiddels zo groot dat Scheringa besluit tot de bouw van het nieuwe museum. Er klinkt alom lof. Van der Giessen: „Door de groei van de collectie, onze spectaculaire aanwinsten en omdat we gul waren met bruiklenen, werd er niet meer op ons neergekeken. Bovendien was realistische kunst salonfähig geworden. We vierden feest toen het MoMA in New York onze Marlene Dumas leende.”

Voor de nieuwbouw, een ontwerp van architect Herman Zeinstra, leent DS Art in januari 2008 bij een externe bank 32 miljoen euro. De collectie en het gebouw dienen als onderpand. Na het faillissement zal Scheringa tegen de curator verklaren dat het nieuwe museum per 1 juni 2010 zelfvoorzienend zou zijn.

Die bewering staat haaks op een exploitatiebegroting uit augustus 2007, opgesteld door Rudy Douma, de financieel directeur van DSB Beheer. Voor de hypotheekaanvraag verstuurt hij die begroting naar Scheringa en, onder anderen, oud-minister Gerrit Zalm, destijds ‘hoofdeconoom’ bij DSB Beheer. De begroting meldt dat het nieuwe museum de eerste zes jaar in totaal 27 miljoen euro tekort zal komen. De curator stelt in zijn faillissementsverslag dat hij niet heeft kunnen vaststellen dat die informatie heeft geleid tot bijstelling van de grote ambities.

Scheringa wil tekorten dekken met sponsorgelden. Van der Giessen, die Ansenk in 2008 opvolgt als directeur, en Sander Uitdenbogaard, die in hetzelfde jaar wordt aangesteld als zakelijk directeur van DS Art, vertellen Scheringa dat dit niet realistisch is. Scheringa reageert laconiek: „We gaan het gewoon doen.”

Ansenk, Van der Giessen en ook Uitdenbogaard zeggen nooit veel inzicht te hebben gekregen in de financiën van DS Art. „Dat liep via DSB Beheer”, zegt Uitdenbogaard. Hij krijgt de opdracht de organisatie van het toekomstige museum op te tuigen en sponsors te zoeken, meer niet. Van der Giessen: „Emily en ik waren er voor de kunsthistorische kennis. Dirk was van het geld.”

Als DS Art failliet gaat, is Ansenk al ruim een jaar directeur van de Rotterdamse Kunsthal. 12,5 jaar werkte ze met Scheringa. „Ik denk nog altijd met plezier aan die tijd in het museum.” Maar ze is wel op tijd vertrokken, zegt ze. „Het voelde alsof ik Scheringa’s bezit werd, het museum werd mijn leven. Dirk nam het me kwalijk dat ik vertrok. Zijn museum, zei hij, zou zoveel interessanter en imposanter worden dan de Kunsthal. Hij kondigde aan twee jaar niets tegen me te zeggen. Daar heeft hij zich aan gehouden, op de dag af.”

Na het faillissement spreken de minister van Cultuur, Ronald Plasterk, en andere prominenten zich uit voor het bijeenhouden van de collectie. Op verzoek van de curator blijven Van der Giessen en Uitdenbogaard nog anderhalf jaar aan, om een goede, publieke bestemming voor de collectie te vinden. Daar slagen ze grotendeels in: de circa duizend Nederlandse werken worden voor 14,75 miljoen euro verkocht aan zakenman Hans Melchers, die ze in Nederland wil exposeren. Alleen de buitenlandse werken gaan naar de veiling. Een topstuk, een naakt van de Britse schilder Lucian Freud, wordt onderhands verkocht, voor 4,2 miljoen euro. Van der Giessen begint daarna een webwinkel in cadeauartikelen. Uitdenbogaard gaat aan de slag als zakelijk directeur van Panorama Mesdag.

En de hoofdrolspelers? Baukje Scheringa-De Vries dient een pensioenclaim in van 1 miljoen euro, die de curator van DS Art afwijst. „Grondslag en hoogte” kan ze onvoldoende aantonen. Ze wacht op het oordeel van de rechter. Echtgenoot Dirk, die bij de curatoren van andere DSB-onderdelen een pensioenclaim van 8,8 miljoen euro heeft gevorderd, houdt lezingen en heeft een nieuw financieel bedrijf opgezet, DS Factoring.

Hij houdt nog steeds van kunst, bezoekt beurzen en onderhoudt contacten met zijn oude kunstrelaties. In plaats van kopen, verkoopt hij nu schilderijen, via zijn website scheringa.nl. Van der Giessen weet dat. Ansenk niet. Als ze de plaatjes bekijkt, geschilderd door Ed van der Kooy, sluit ze zich aan bij haar opvolger. Ansenk: „Ik heb vroeger al eens tegen hem gezegd over deze kunstenaar: doe wat je hart je ingeeft, maar koop het niet voor het museum.”