Joods vastgoed met hulp van notarissen onteigend

Nederlandse notarissen hebben in Tweede Wereldoorlog op grote schaal meegewerkt aan het juridisch onteigenen van Joods vastgoed. Alleen al in de regio Rotterdam, waar vijftig notarissen werkzaam waren, was er één notaris die hier helemaal niet aan meewerkte.

Dat blijkt uit onderzoek van historicus Raymund Schütz in het kader van een promotie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een deel van zijn onderzoek publiceerde hij in 2010 in het artikel ‘Achter gesloten deuren. Het Nederlandse notariaat, de Jodenvervolging en de naoorlogse zuivering’ dat verscheen in het Tijdschrift voor Geschiedenis.

Eerder deze week beloofde de burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan, dat Joodse inwoners of hun erfgenamen de erfpacht plus boetes terugkrijgen die de gemeente hun na de Tweede Wereldoorlog oplegde. Tijdens de oorlog zijn naar schatting 20.000 Joodse panden geroofd. De totale waarde bedroeg op het moment van onteigening zo’n 150 miljoen gulden.

De naoorlogse zuivering van het notariaat vond achter gesloten deuren plaats, stelt Schütz. In ruil voor het staken van rechtsvervolging van notarissen, trof het ministerie van Justitie een regeling met de beroepsgroep: 60 procent van het geld dat met overdrachtsakten was verdiend, moest worden teruggeven. De notarissen, die vrijwel allemaal meewerkten, betaalden in totaal 456.567,33 gulden. Maar uit onderzoek van Schütz blijkt dat veel notarissen minder betaalden dan volgens de regeling moest.

Het notariaat heeft hierover na de oorlog nooit openlijk verantwoording afgelegd of er onderzoek naar geïnitieerd. Volgens Nora van Oostrom, woordvoerder van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is daar is geen directe aanleiding voor geweest. „Sinds 1999 zijn we erg druk geweest met het moderniseren van de beroepsgroep. We waren meer op de toekomst gericht dan op het verleden.”

Wel zegt de KNB blij te zijn met het onderzoek van Schütz. De organisatie overweegt een oproep te doen aan alle leden om hun archieven ter beschikking te stellen. „Wij hebben er geen belang bij om dingen onder het tapijt te vegen”, zegt Van Oostrom. „Het handelen van sommige notarissen destijds verdient niet de schoonheidsprijs.”