Hongerklop

Niki Terpstra zei dat hij genoten had van het gekkenhuis op Alpe d’Huez. Wout Poels had ook geen bezwaar. IJle berglucht vertroebelt de geesten. Het schemert voor de ogen.

Na bijna drie weken versterving in eenzaamheid hunkeren renners naar vertrouwde geluiden en gezichten van het thuisfront. Alpe d’Huez is daar een exponent van. De in de media zo bejubelde Hollandse berg had even goed in Groningen kunnen liggen. In Koninginnedagkabaal scheelt het niet. En zijn het niet de Groningers die deze Tour voorzien hebben van de nodige Hollanditis? Bau en Lau op slag volksbezit van Groningen tot Maastricht.

Mart Smeets probeerde de eer van het land te redden door te wijzen naar verklede Noren, Denen en Spanjaarden die ook als mongolen achter vlaggen en toeters aanliepen. Het was een amechtige poging tot volksverlakkerij. Hypocrisie van een publieke omroep die zich niet openlijk durft te schamen voor eigen volk. De NOS zal wel uitkijken om kijkers in hun zelfbeeld te bezeren.

Hup Holland Hup.

Het was weer een en al oranje op Alpe d’Huez. Tienduizenden kelen galmden oerkreten over het heilige landschap. Net Hunnen die achter deernen aanholden. Al hadden zij nog berenvellen – de Hollanders op Alpe d’Huez paradeerden als vanouds in blote bierbuiken. Sommigen in een soortement jutezak.

Voddig volkje!

Lelijker dan Alpe d’Huez op de hoogdag van de Tour kan een berg niet zijn. Hondsdolheid doet minder pijn aan de ogen dan die schreeuwende en zuipende Nederlanders met dolgedraaide pupillen.

En met de stank van kots over zich.

De renners werden nog net niet besprongen, maar ze riskeerden wel hun leven tussen hagen van hysterische gekken. Niet zij, de massa langs de flanken leek vol te zitten met dope.

Dat kon je ook zien in de verwilderde gezichten.

Zonder beleving geen topsport.

Wielerfans mogen best uit de bol gaan. Dat doen ze in de Ronde van Vlaanderen ook. Om van het Vlaamse veldrijden nog te zwijgen. Maar laat de renners in hun waardigheid. Dat lukt Nederlanders met hun koloniale waanzin op Alpe d’Huez niet meer.

Groningers, Drenten en Limburgers zijn nu de berg.

Jaar na jaar tart de Hollandse invasie in de Tour steeds meer de verbeelding van de goede smaak. Eens moeten ’s zomers de grenzen maar weer eens dicht voor het poldervolk.

Het esthetische deficit wordt te groot.

Mag je dat zeggen? Nee dat mag je niet zeggen. Dit beschouwinkje kostte me tientallen banbliksems uit de polder: „Heeft u Belgen al eens bezig gezien?”

Als het om Nederlanders aan de Spaanse costa’s gaat, mag je zowat alles zeggen. Maar sportliefhebbers laten zich niet ridiculiseren in hun botte feestelijkheden. In naam van vermeende heroïek eisen zij het recht op wansmaak op. Zeker negentig procent van de berggekken zien hun stuitende aanwezigheid op Alpe d’Huez als een daad van liefde voor volk en vaderland.

Kritiek op hun monsterlijke vertoning pikken ze niet. Zij staan, zitten, hangen en spartelen er in een roes van absolutisme als hoeders van de onsterfelijkheid van Bau en Lau. En natuurlijk ook om zelf gezien te worden.

Nergens is de Nederlandse samenleving doordeweeks nog een bron van opwinding. Nergens zie je nog het deeg rijzen van avant-garde en experiment. Alles gaat zijn slome gangetje, al helemaal in Den Haag. En dus wijkt de verbeelding uit naar massafeesten in de sport. Waar nationalisme nog mag te keer gaan als een brulaap.

L’Alpe d’Huez is, naast een gekkenhuis, ook de openbaring van een hongerklop in het nationale drama van verveling en betekenisloosheid.