Het onzekere pensioen

Oud is in Nederland niet synoniem met arm. Deze verworvenheid van de welvaartsstaat is te danken aan de AOW en het pensioenstelsel. Iedereen betaalt mee aan de AOW, maar het zwaartepunt ligt bij de werknemers. De werknemers en werkgevers betalen gezamenlijk voor de pensioenen, maar hier zorgt de overheid voor een fiscaal gunstig regime.

Om de gedachten te bepalen vier getallen. De AOW-uitkeringen bedragen ruim 31 miljard euro per jaar, de pensioenpremies 30 miljard, de pensioenuitkeringen 26 miljard en de beleggingen van de pensioenfondsen meer dan 1.000 miljard. Dat is anderhalf maal de jaarlijks productie van goederen en diensten in Nederland.

AOW en pensioenen zijn op dit moment inzet van een historische herziening. Na 55 jaar is de oorspronkelijke AOW-leeftijd van 65 jaar losgelaten. De levensverwachting is dusdanig toegenomen dat het financieel én maatschappelijk onhoudbaar is dat mensen eerder stoppen met werken. Pensioenen staan nu aan de vooravond van een vergelijkbare overgang van een vastgelopen systeem naar een nieuwe oplossing. Hoe vastgelopen het systeem is, blijkt uit de cijfers van de pensioenwereld van afgelopen week. Het grootste en het op een grootste fonds, ABP (overheidspersoneel) en Zorg & Welzijn, moeten serieus nadenken over verlaging van de pensioenen omdat hun financiële positie tekortschiet.

Verlaging van pensioenen, maar ook extra verhoging, kan in de toekomst gewoon worden. Het kabinet heeft vorige week de contouren van een nieuwe pensioenregeling ter consultatie openbaar gemaakt. In een paar woorden samengevat: de koopkracht van pensioen moet effectiever verankerd worden, maar pensioen wordt meer een aandeel in een beleggingsfonds, dat in waarde fluctueert.

De basis voor deze herziening is het pensioenakkoord van 2010 van werkgeversorganisatie VNO-NCW en de vakbeweging. Het akkoord werkte als splijtzwam binnen de FNV, maar de essentie bleef overeind. De werkgevers en vakbonden die de pensioenwereld besturen, erkennen de vele risico’s, zoals beleggingsverliezen en het verheugende feit dat menigeen langer leeft. Maar deze dure risico’s mogen niet eindeloos worden afgewenteld op anderen.

De huidige pensioenregelingen zijn vastgelopen in hoge verwachtingen die niet worden waargemaakt. In vertrouwensverlies in de besturen van de grote pensioenfondsen. In de extreem lage rente die tot hoge pensioenverplichtingen leidt. En in een sluimerend generatieconflict omdat jongeren niet willen betalen voor verworvenheden waarin zij zelf later niet delen.

De nieuwe regeling confronteert werknemers en gepensioneerden met de realiteit: pensioen is een onzeker bezit. De invoering van het nieuwe pensioencontract moet geen gelopen race zijn. Vier bezwaren tekenen zich af.

Het eerste is de manier waarop de huidige pensioenen en de nieuwe regelingen worden samengevoegd. Het kabinet moet niet de vakbonden en werkgevers, maar de deelnemers aan de pensioenregeling het laatste woord geven.

Het tweede is het gesteggel over de hoogte van de pensioenpremies. Het kabinet wil dat fondsen de premies verlagen omdat werknemers in hun langere werkzame leven jaarlijks minder hoeven te sparen. De fondsen willen met de bestaande premies juist hun financiële positie versterken. Het nieuwe pensioensysteem maakt de zaak nog onoverzichtelijker: het ene fonds zal hogere premies vragen, het andere niet. Dit wordt een machtsstrijd zonder winnaars. Het kabinet moet via pensioenen geen economisch beleid voeren. Pensioen is een arbeidsvoorwaarde, dus de cao-partijen beslissen.

Het derde bezwaar is de huidige bestuursvorm. Vakbonden, die nog maar 20 procent van de werknemers organiseren, hebben een onevenredig grote invloed. Tijd om ook bestuurders te verkiezen in een soort aandeelhoudersvergadering. Deskundigheid van jongere mensen in beleggen en risicobeheer is dringend gewenst.

Het vierde is het irritante jargon en de complexiteit waarin de voorstellen nu zijn ondergedompeld. Zo blijft het een discussie voor een kleine kring ingewijden. De commissie-Wijffels die onlangs de toekomst van de banken onder de loep nam, vroeg hun van elk complex product ook een simpele variant te lanceren. Die norm is in deze voorstellen niet gehaald.