Failliet Detroit nederlaag Obama

Vorig jaar pochte Obama dat hij Detroit had gered met overheidsgeld voor de auto-industrie. Nu is de stad toch failliet. Een nederlaag voor Obama.

Het verlaten treinstation van Detroit, gezien vanaf een leegstaand bedrijfsgebouw. Foto Brett Mountain / Polaris

Zestig jaar geleden was Detroit met bijna twee miljoen inwoners een van de grootste steden van de Verenigde Staten. Nu wonen er nog maar zo’n 700.000 mensen.

Indertijd had Detroit geld, dankzij een bloeiende auto-industrie, en was er trots op. De fraai gedecoreerde gebouwen van toen staan er nog altijd: het imposante United Artists Theater, achttien verdiepingen hoog. Het enorme Michigan Central Station: nu een plek voor daklozen en hoeren. Of de talloze, intussen verlaten woningen: ze zijn overwoekerd, beschadigd en vergeten.

Donderdag werd Detroit de eerste grote Amerikaanse stad die voor zichzelf faillissement heeft aangevraagd. De stad heeft een schuld van circa 18 miljard dollar bij ongeveer 100.000 kredietverstrekkers, zoals banken, bedrijven en particulieren. Slechts een klein deel van de schuld kan betaald worden.

„We moeten zestig jaar van verval stoppen”, zei gouverneur Rick Snyder van Michigan gisteren op een persconferentie. Alleen een faillissement kan de vrije val van de stad stoppen, aldus Snyder.

De neergang van Detroit is een uitvergrote versie van die van de hele Rust Belt, het industriële gebied in het Amerikaanse noordoosten. In de eerste helft van de twintigste eeuw beleefden steden als Detroit, Cleveland, Philadelphia en Baltimore hun bloeiperiode. Het gebied profiteerde van de sterke staalindustrie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog steeg de vraag naar auto’s en schepen.

Detroit was toen hét symbool van Amerika’s economische veerkracht. Ford, General Motors en Chrysler, die zich aan het begin van de twintigste eeuw in Detroit vestigden, waren lange tijd de grootste autoproducenten ter wereld.

In de jaren zeventig kreeg de industrie in de Rust Belt het moeilijk, onder meer door minder vraag en goedkopere concurrentie uit Azië. De industrie kromp. De steden liepen langzaam leeg. Alleen een interventie van de federale Amerikaanse regering in 2009 kon een bankroet van General Motors voorkomen.

De redding van dit bedrijf kwam terug in één van de belangrijkste campagneslogans van president Barack Obama in 2012: „Bin Laden is dood en General Motors leeft nog.” Later zei Obama dat hij hiermee ook het faillissement van de stad Detroit had afgewend.

Maar de financiële situatie van de stad werd ieder jaar toch zorgelijker. De achtergebleven bevolking is vergrijsd. De werkloosheid is sinds 2000 bijna verdrievoudigd, tot circa 13 procent. Detroit komt daardoor simpelweg ieder jaar geld tekort. De capitulatie van Detroit is daarom ook een nederlaag voor Obama.

Door faillissement aan te vragen, hoopt de stad een uitweg te vinden. Een stad kan niet sluiten of opgesplitst worden, zoals een commercieel bedrijf. Steden die failliet gaan – tot nu toe waren dat alleen veel kleinere gemeenten – worden beschermd door een federale wet.

Volgens die wet moet de failliete gemeente met schuldeisers in overleg over de terugbetaling van het geld. Een rechter kan een gemeente niet dwingen om eigendommen te verkopen, zoals dat wel kan bij failliete particulieren.

Sommige schuldeisers, zoals enkele grote banken, zijn verzekerd en krijgen hun geld zeker terug.

Lastiger wordt het bij de vakbonden en pensioenfondsen waarbij Detroit in het krijt staat. De stad is verplicht ouderen hun pensioen uit te keren, maar heeft daar het geld niet meer voor.

Kevyn Orr, de crisismanager die namens Detroit is belast met de kwestie, moet nu kiezen uit pijnlijke opties: hij kan de belastingen drastisch verhogen, de pensioenen versoberen of de premies verhogen.

Orr zei dat hij de stad aan het einde van volgend jaar uit de malaise heeft geholpen. De meeste economen zeggen dat dit niet realistisch is.