Aaseters vraten hobbitkliekjes

Het Floresmensje was een jager. Als hij olifantjes slachtte, profiteerden gieren en enorme ooievaars.

Paleontoloog Hanneke Meijer denkt dat maraboes vlees pikten uit de jachtbuit van de Floresmens. Illustratie Simon Roy

Als je amper een meter lang bent is een vleesetende ooievaar van 1,80 meter al snel een monster en een middelgrote gier een gedrocht.

De minimensen op het Indonesische eiland Flores leefden in een wereld van reuzen en dwergen. Ze deelde hun eiland met grote varanen, vleermuizen, reuzenratten, dwergolifanten en een bonte verzameling tropische vogels. Wie wil begrijpen wie de Floresmens was en hoe hij leefde, kan niet om deze dieren heen, vindt de Nederlandse vogelpaleontoloog Hanneke Meijer.

Normaal gesproken trekken de fossielen van dwergmensen alle aandacht. Het was in 2003 dat antropologen de eerste resten van een kleine mensachtige op het eiland vonden. Inmiddels zijn de meeste antropologen het er over eens dat de ‘hobbits’ een aparte soort vormden, Homo floresiensis, en waarschijnlijk de verdwergde afstammelingen waren van Homo erectus. Ze overleefden tot ongeveer 17.000 jaar geleden op Flores, toen de moderne mens zich al over de halve wereldbol had verspreid.

Ze waren klein, maar de dwergmensen hadden niets van de vleesetende vogels op Flores te vrezen. Integendeel: de ooievaars en gieren waren juist van het jagersvolkje afhankelijk. De aaseters voedden zich met het slachtafval dat de Floresmensjes achterlieten en zijn misschien zelfs in zijn kielzog op het eiland verzeild geraakt, denkt Meijer.

Meijer is de eerste paleontoloog die de prehistorische vogelfauna van Flores heeft bestudeerd en beschreven. “Vogels zijn lang ondergewaardeerd geweest in evolutionair onderzoek”, zegt zij aan de telefoon. Meijer, verbonden aan het Spaanse Institut Català de Paleontologia, publiceerde haar resultaten in het julinummer van het Journal of Vertebrate Paleontology. Meijer ploos samen met haar collega’s door honderden vogelbeentjes die in de loop der jaren zijn opgegraven in Liang Bua. Dat is de kalksteengrot waar in 2003 de resten van Floresmensen gevonden zijn. De oudste lagen van deze grot zijn zo’n 95.000 jaar oud.

Meijer herkende en beschreef tientallen vogelsoorten. Daaruit rijst een beeld van een ander Flores dan nu. Het eiland was vochtiger. Groener. Open velden en regenwoud wisselden zich af met meertjes, stromen en moerassen. Strandlopers en snippen scharrelden in de rivierbedding hun kostje bij elkaar. Papegaaien en duiven speurden in de jungle naar noten en fruit. Boven het bladerdak plukten gierzwaluwen insecten uit de lucht. En hoog in de lucht cirkelden gieren.

De aanwezigheid van gieren op Flores kwam als een grote verrassing voor Meijer. Het zijn de eerste gierenresten die in Zuidoost-Azië zijn gevonden. “Gieren steken zelden water over”, zegt Meijer. “Ze vliegen vooral op thermiek.” De beenderen lijken als twee druppels water op die van de moderne witkopgier (Trigonoceps occipitalis). Deze gier met witte kop en borst komt tegenwoordig alleen nog voor in Afrika. Meijer typeert de aaseter als een vogel die niet graag vies wil worden: „Ze kijken vanaf de zijlijn toe hoe grotere gieren het grove werk opknappen, en gaan daarna zelf voor de restjes. Zelf zijn ze niet sterk genoeg om een karkas open te scheuren.”

Daarom denkt Meijer dat de gieren zich deels voedden met de resten van dwergolifantjes die door Floresmensen waren geslacht. Dat de Floresmens op dwergolifanten (Stegodon florensis insularis) joeg, is zo goed als zeker. In Liang Bua zijn op beenderen van dwergolifanten slacht- en snijsporen gevonden, gemaakt door stenen werktuigen. „De Floresmensjes gebruikten Liang Bua waarschijnlijk als jachtkamp”, zegt Meijer. Ze sleepten de olifantjes de grot in, om ze daar te villen en uit te benen. De oneetbare of onbruikbare resten die overbleven na de slacht, zoals huid en pezen, waren misschien voer voor de witkopgieren.

Ook de vleesetende maraboe (Leptoptilos robustus), een vogel uit de ooievaarfamilie die Meijer al in 2010 beschreef, kon zelf niets beginnen met een olifantenkarkas. „De spitse snavel van de maraboe werkt als een soort pincet” , zegt Meijer. “Bij het scheuren van vlees verliest de maraboe zijn grip. Moderne Afrikaanse maraboes laten andere aaseters het karkas uiteenrijten, waarna zij hun stukken vlees aftroggelen.”

De gieren en maraboes van Flores verschalkten ook kleinere prooidieren, zoals de talrijke reuzenratten, maar waren voor hun overleven deels aangewezen op grote karkassen. Misschien is het daarom geen toeval dat de gier en maraboe tegelijk uitstierven met Floresmens en dwergolifant, zegt Meijer. In de oudste lagen van Liang Bua komen resten van minimensen, olifantjes, gieren en ooievaars veelvuldig voor, in de bovenste lagen verschijnen de beenderen van varkens, makaken, civetkatten en werktuigen van moderne mensen. Daartussen ligt een fijne laag as, 17.000 jaar oud.

Uitsterven

„Zo’n 17.000 jaar geleden vond er een vulkaanuitbarsting plaats op Flores”, zegt Meijer. En meteen erachteraan: “Maar die uitbarsting hoeft niet de directe oorzaak van het uitsterven te zijn. In diezelfde periode werd het klimaat droger.” Het aandeel van watervogelbotten in Liang Bua neemt in de jongste lagen bijvoorbeeld af. Moerassen droogden op. Het dichte tropische regenwoud van Flores maakte plaats voor een open en droger boslandschap.

Gieren, ooievaars en Floresmensjes verdwenen in ieder geval tegelijkertijd van Flores. En misschien zijn ze er ook gelijktijdig verschenen. Toen Homo erectus meer dan anderhalf miljoen jaar geleden Afrika verliet, gingen gieren en maraboes hem misschien achterna, speculeert Meijer. “Voor sommige zoogdieren is al voorgesteld dat ze de verspreiding van Homo erectus door Azië volgden. Voor vogels nog niet.” Meijer hoopt deze hypothese te toetsen door te zoeken naar vleesetende vogels in de buurt van vindplaatsen van hominiden in Azië, zoals bij Dmanisi in Georgië. “Helaas zijn vogelfossielen vaak nogal karig.”

En misschien zijn er op Flores zelf nog aanwijzingen te vinden voor de komst van vleesetende vogels. Veel wil Meijer er niet over zeggen, maar ze wijst op de stenen werktuigen van bijna een miljoen jaar oud die zijn opgegraven in het hart van Flores. Mogelijk zijn die achtergelaten door de voorouders van de Floresmens. “Resten van mensachtigen zelf zijn hier helaas nog niet gevonden, maar wel van vogels. Grote vogels.”