‘We leven in het einde der tijden’

In T.C. Boyles nieuwe roman gaat het over liefde en de kracht van de natuur. De natuur overleeft ons, aldus de toch gelukkige auteur, thuis in Californië.

T.C. Boyle in de tuin van zijn huis in Montecito in Californië: ‘Schrijven is voor mij een verslaving.’ Foto Hollandse Hoogte

‘Alsjeblieft, 918 pagina’s verhalen”, zegt T.C. Boyle (1948) terwijl hij een vuistdikke drukproef van zijn nieuwste verhalencollectie op tafel mikt. Alsof iemand nog bewijs nodig had voor Boyles onwaarschijnlijke productiviteit. Met San Miguel schreef de flamboyante Amerikaan alweer zijn 24ste boek sinds hij midden jaren zeventig debuteerde. Kloeke romans wisselt hij af met korte verhalen. Boeken over historische figuren als architect Frank Lloyd Wright en ‘seksdokter’ Alfred Kinsey met hedendaagse vertellingen over migratie, ras, en ecologie. Alles geschreven in een bloemrijke, hypnotiserende stijl, die de lezer vanaf pagina één bij de kladden grijpt.

Last van een writer’s block heeft hij nooit, zegt de schrijver, die gekleed gaat in een leren jack, zwarte jeans en felrode gympen. „Ik heb het geluk dat ik twee genres beoefen. Als ik uitgeput ben van een roman, schakel ik over op het kortere ritme van het verhaal. Schrijven is voor mij een verslaving. Het gevoel dat ik krijg als een verhaal of boek af is en alles op zijn plaats valt, dat wil ik steeds opnieuw.”

We zitten op de veranda van Boyles eigen Frank Lloyd Wright-huis bij Santa Barbara, het eerste dat de beroemde architect ooit bouwde in Californië. Iemand – de auteur zelf of misschien vrouw Boyle, zoals hij zijn echtgenote steevast noemt – heeft gezorgd voor schaaltjes fruit en een plankje met kaas en stokbrood.

„Voor mij maakt San Miguel een cirkel rond,” zegt Boyle. „Mijn debuut Water Music was een historische roman die spotte met alle wetten van de historische roman. Dat gold ook in min of meerdere mate voor mijn latere boeken in dit genre. Met San Miguel heb ik voor het eerst geprobeerd om een niet-komische, niet-sarcastische, niet-postmoderne, maar rechttoe-rechtaan historische roman te schrijven. Deels omdat het materiaal daar om vroeg, deels om mezelf een uitdaging te geven.”

San Miguel heeft ook een duidelijke link met Boyles vorige roman Na de barbarij. Beide boeken spelen zich af op de een onbewoonde eilandengroep voor de kust van Santa Barbara, die Boyle vanuit zijn bovenraam kon zien voordat de bomen in de tuin omhoog schoten. Hij raakte geïntrigeerd door de eilandjes toen hij in de krant een verhaal las over een kolonie varkens die er zou worden afgemaakt.

„Die varkens waren zo talrijk geworden dat ze alles kaalvraten. Ook trokken ze arenden aan, die op hun beurt een zeldzame vossensoort uitroeiden. Daarom moesten de varkens dood.” Dit verhaal gebruikt Boyle in Na de barbarij als aanleiding voor een even grimmige als komische strijd tussen twee bloedfanatieke natuurbeschermers.

Levensverhaal

Tijdens de research voor het boek stuitte Boyle bij toeval op het verhaal voor San Miguel. Een lokale historica vertelde hem dat er in het verleden verschillende gezinnen hadden geleefd op het eiland. Twee vrouwelijke bewoners hadden hun levensverhaal zelfs opgeschreven. Toen Boyle die verslagen las, wist hij dat hij een roman te pakken had.

„Beide vrouwen waren getrouwd met oorlogsveteranen, die in de wildernis hun eigen koninkrijkje wilden stichten. Dat soort types heeft me altijd gefascineerd. Kijk naar mijn boek Verloren nachten, over een groep hippies die naar Alaska trekt. Ook het feit dat die kerels hun echtgenotes meeslepen in hun dwaze plannen, is voor mij als schrijver natuurlijk goud waard, hoewel ik je kan vertellen dat het hier in huize Boyle compleet anders toegaat. Ik doe al het mogelijke voor vrouw Boyle. Ik betaal de rekeningen, ik kook, maak het huis schoon, zodat zij rustig op de bank kan liggen mediteren.” (lacht)

Het verhaal in San Miguel wordt verteld vanuit het perspectief van drie vrouwen die van 1888 tot aan de Tweede Wereldoorlog op het eiland woonden: de ziekelijke Marantha, haar ambitieuze stiefdochter Edith, en de oude vrijster Elize. Alle drie hebben ze heel wat te stellen met hun mannelijke medebewoners, en de genadeloze natuur op het eiland. Wind, regen, moordzuchtige kraaien, een echtgenoot met mentale problemen, een ander die het aanlegt met de huishoudster – het zijn maar een paar van de obstakels die het trio voor de kiezen krijgt.

„Dat zit in de aard van het beestje”, lacht Boyle. „Ik ben zelf heel gelukkig. Maar mijn wereldbeeld is nogal zwart. Het leven heeft geen aanwijsbare zin. De menselijke soort is verdoemd, omdat we de aarde in hoog tempo aan het verkrachten zijn. Als dat de realiteit is, vind ik het niet zo vreemd dat er in mijn fictieve wereld ook flink wordt geleden.”

Ook Boyles eigen leven verliep lang niet altijd op rolletjes. De schrijver groeide op in Peekskill in de staat New York, als kind van twee drankverslaafde ouders. Als jongeman was hij naar eigen zeggen „een rotjoch”. Hij spijbelde, racete in auto’s, en gebruikte drugs, waaronder heroïne.

Voor het écht misging werd Boyle gered door de literatuur, waarin hij zijn maniakale energie kwijt kon. De sprong naar het professionele schrijverschap volgde na een schijfworkshop aan de Universiteit van Iowa, waar hij les kreeg van John Irving, Raymond Carver en John Cheever.

In Iowa promoveerde hij ook in de Engelse letterkunde, wat hem een baan opleverde aan de Universiteit van Zuid-Californië. In 1978 verhuisde hij naar Los Angeles, waarover hij een paar jaar later De Tortillagrens schreef.

Stokoude kat

Hoewel dit boek een klassieker werd, kreeg Boyle al snel genoeg van de drukte, de mensen en de hitte in Los Angeles. Vandaar zijn verhuizing naar Santa Barbara, een welgesteld stadje met uitzicht op de Grote Oceaan. Hier woont hij met zijn vrouw, zijn poedel en een stokoude kat, die 23 uur per dag slaapt. Als het hem ook hier te onrustig wordt, trekt hij zich terug in de ongerepte bergen even verderop, waar hij in alle stilte kan schrijven, lezen en nadenken.

Sinds Boyle in deze paradijselijke omgeving vertoeft, baart de vernietiging van de aarde hem steeds meer zorgen. Naast romans leest hij alles wat los en vast zit over ecologie. Een terugkerend thema in zijn boeken is dat mensen die proberen de natuur naar hun hand te zetten het deksel op de neus krijgen. Vat dat Boyles opvattingen over onze omgang met de planeet zo’n beetje samen?

„Misschien”, zegt hij met een lachje. „Het is duidelijk dat we zijn overgeleverd aan krachten die buiten onze controle liggen. We vergeten vaak dat we zelf dieren zijn, zoals Alfred Kinsey betoogde. Hij noemde ons de human animal. We denken dat we zo slim zijn, maar al onze culturen zijn gebouwd rond mythen. De mythe van God. De mythe dat alles koek en ei is. Terwijl eenderde van alle regeringen bestaat uit gangs. Gangs runnen alles. Inclusief de Verenigde Staten.”

Boyle deed ooit een beroemde voorspelling in zijn boek A Friend of the Earth. In die roman, die speelt in het jaar 2000, waarschuwde hij voor een totale ecologische ineenstorting in het jaar 2025. Hoe ziet hij dat nu?

„Ik had er 2015 van moeten maken”, zegt Boyle. „Alles wat ik in dat boek voorspelde, is al uitgekomen. Ik heb echt het gevoel alsof we in het einde der tijden leven. De aarde zal nog 3,5 miljard jaar bestaan. Alleen wel zonder ons.”

Boyle is intussen ruim honderd pagina’s op weg in zijn volgende roman, die The Harder They Come gaat heten. Het boek speelt zich af in een houthakkersgemeenschap in Fort Bragg in Noord-Californië, en gaat over geweld. Boyle: „Na een boek dat voor honderd procent vanuit het gezichtspunt van vrouwen is geschreven, wilde ik weer eens mannelijk machoboek schrijven. Al was het maar om iedereen even lekker op het verkeerde been te zetten.”

T.C. Boyle: San Miguel. Vertaald door Gerda Baardman, Tjadine Stheeman en Onno Voorhoeve. Anthos, 386 blz. € 19,95