Wat is er mis met ongebonden hulp?

Laten we (on)gebonden hulp aan armere landen eens goed evalueren voor we haar afschaffen, zegt René Dubbeldam.

In haar column van 17 juli vat Louise Fresco goed samen hoe snel het denken over ontwikkelingssamenwerking in Nederland is veranderd. De aandacht is verschoven naar fragiele staten, naar een intensievere samenwerking tussen soldaat en hulpverlener. En naar Nederlandse bedrijven die, al dan niet gesubsidieerd door de overheid, armere landen iets te bieden hebben. Weloverwogen eigenbelang met een sociaal sausje, dus.

Het is daarom verbazingwekkend dat Fresco, zonder onderbouwing, twee stellingen poneert die haar eigen kritische beschouwing over recente verschuivingen in de ontwikkelingshulp verzwakken.

Ten eerste stelt ze – merkwaardig genoeg nogal ‘en passant’ – dat vanaf nu ‘pure’ ongebonden hulp (‘uit het tijdperk Jan Pronk’) waarschijnlijk nooit meer aan de orde is. Hoezo: nooit meer? Het bieden van dergelijke ongebonden hulp is nog steeds een fundamenteel principe van internationale samenwerking. Nederland heeft zich middels internationale verdragen gecommitteerd dit principe uit te dragen. De neiging om deze cruciale verantwoordelijkheden uit de weg te gaan, is hopelijk van tijdelijke aard. Zo niet, dan zullen veel landen in en buiten Europa de Nederlandse radicaal veranderde houding in internationale samenwerking niet meer begrijpen.

Is dat vervelend? Ja. En niet alleen voor Nederland dat haar prestige toch al ziet verbleken, maar ook voor (voorheen) ontvangende landen.

Ten tweede stelt Fresco – alweer ‘en passant’ – dat hulp er niet voor is om ‘gaten in de begroting te dichten’. Hoezo niet? Hebben we de laatste jaren niet geprobeerd om overheidsfinanciën in veel ontwikkelingslanden op orde te krijgen met de nadruk op good governance, transparency en public financial management, uiteraard met als doel lokale middelen beter te besteden aan publieke doelen zoals onderwijs, gezondheidszorg en marktregulering? En was budgetondersteuning, gekoppeld aan die maatregelen, juist niet een krachtig middel om ontwikkelingslanden in de driver’s seat te krijgen van hun eigen ontwikkeling? Was goed gereguleerde budgetondersteuning dan niet een beter mechanisme dan gefragmenteerde, niet beklijvende projecthulp?

Wat me stoort is het en passant poneren van stellingen die het debat over internationale samenwerking ten nadele kunnen beïnvloeden. Laten we de voors en tegens van (on)gebonden hulp eerst evalueren. Vanuit het perspectief van ontwikkelingslanden is gebonden, aanbodgeoriënteerde hulp tenslotte vaak desastreus.

En laten we de voors en tegens van budgetondersteuning goed onderzoeken, voor we ook deze kansrijke baby met het badwater wegkieperen.

Anders loopt de politiek straks parmantig weg met deze losse flodders, nu nota bene uit de academische hoek, ter ondersteuning van dat vlotte, maar ook schimmige en wellicht vluchtige bondgenootschap tussen koopman, soldaat en hulpverlener.

René Dubbeldam is tropenarts.