Wat blijft er over van mijn pensioen?

De grote pensioenfondsen waarschuwden gisteren dat het pensioen volgend jaar misschien verder wordt verlaagd. Het kabinet kwam vorige week met een pensioenplan waarin de premies dalen. Hoe valt dat met elkaar te rijmen? vragen over het pensioen

Illustraties Michiel van de Pol

Amsterdam. - Nederland heeft een uniek pensioenstelsel. Het bestaat uit drie pijlers: het staatspensioen (de AOW, voor iedereen), de aanvullende collectieve pensioenen (voor werknemers) en de individuele verzekeringen die mensen zelf regelen. Samen bepalen deze onderdelen de hoogte van het bedrag dat iemand maandelijks krijgt als hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De AOW-uitkering wordt betaald uit premies die mensen jonger dan 65 betalen. Het aanvullende pensioen bouwt iemand op tijdens de jaren die hij werkt. Iedere maand stort hij geld in de pot van de pensioenfondsen. Zij beheren dit geld en beleggen ermee, om te zorgen dat ze genoeg in kas hebben om de gepensioneerden uit te betalen.

De alsmaar ouder wordende bevolking trekt een zware wissel op het pensioensysteem. Immers, een steeds kleinere groep werkenden moet het pensioen van een steeds grotere groep gepensioneerden bekostigen.

Maar ook nieuwe boekhoudregels voor de collectieve pensioenen, zoals het verplicht aanhouden van buffers, dreigen de kosten van het stelsel te verhogen. Mogelijke versobering van pensioenen is het gevolg. Dat betekent dat mensen die stoppen met werken maandelijks minder pensioen krijgen uitgekeerd dan waar zij steeds vanuit zijn gegaan.

Vier grote pensioenfondsen – ABP, Zorg & Welzijn, PMT en PME – waarschuwden gisteren dat zij de pensioenen volgend jaar misschien moeten verlagen. Waarom doen zij dat?

Hun dekkingsgraad is niet hoog genoeg, wat betekent dat hun buffer te klein is. Bij een dekkingsgraad van 100 procent is er genoeg geld om alle gepensioneerden te kunnen betalen. Maar fondsen zijn wettelijk verplicht minimaal 105 procent aan te houden.

Dit jaar hebben al bijna 70 van de 350 fondsen, waaronder het grootste fonds ABP, hun pensioenen verlaagd omdat ze door de financiële crisis van 2008 die minimale dekkingsgraad niet hadden. De vier grote pensioenfondsen verwachten dat ze 105 procent volgend jaar ook niet halen omdat ze een laag rendement boeken op hun beleggingen. En dus worden de pensioenen weer verlaagd.

Bovendien is de rente gedaald, wat eveneens tot een lagere dekkingsgraad leidt. Stel dat een fonds over vijftien jaar 100.000 euro moet uitkeren. Dan heeft het bij een rente van 5 procent nu een vermogen nodig van 48.100 euro. Is die rente lager, bijvoorbeeld 4 procent, dan heeft het fonds nu 55.500 euro nodig. Een verschil van 7.400 euro.

Mensen die met pensioen gaan krijgen dus een lagere uitkering doordat pensioenfondsen hun verplichtingen niet kunnen nakomen?

Ja. Werknemers denken vaak: ik heb mijn pensioen toch zelf bij elkaar gespaard? Maar dat is niet zo. Slechts 26 procent van het pensioen bouwt een werknemer zelf op, middels de premies die hij maandelijks betaalt in de jaren dat hij werkt. De rest van het pensioen, bijna driekwart van het bedrag, komt uit de beleggingsinkomsten van de pensioenfondsen.

Staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken (PvdA) heeft vorige week een nieuw plan voor de pensioenen gepresenteerd. Wat behelst dat?

Het pensioenstelsel moet sterker worden, is de gedachte. Het moet beter bestand zijn tegen schokken op de financiële markten en de gestegen levensverwachting kunnen opvangen. Gestreefd wordt naar een stabiele pensioenpremie. Nu stijgt de premie en daalt de koopkracht als het slecht gaat met de economie.

Het plan heeft betrekking op het aanvullend pensioen. Meer dan 90 procent van de werknemers bouwt via zijn werkgever een aanvullend pensioen op. Dat wordt gefinancierd door het kapitaaldekkingsstelsel. Bij dit stelsel bepalen de premies samen met de beleggingsinkomsten de hoogte van de pensioenen. Afgelopen jaar steeg het vermogen van de gezamenlijke Nederlandse pensioenfondsen met ruim 130 miljard euro tot 1.007 miljard euro. Toch is dit te weinig om de pensioenen op peil te houden.

Zowel werkgevers als werknemers dragen bij aan het aanvullende pensioen. Werknemers betalen vaak eenderde tot de helft van de premie, de werkgevers de rest. Dit wordt geregeld in de cao.

Hoe ziet de aanpassing er concreet uit?

Een pensioenfonds moet voldoende geld in kas hebben om de pensioenen te kunnen betalen. De overheid heeft (in een zogenoemde financieel toetsingskader) eisen opgesteld voor de financiële positie van een pensioenfonds. Een fonds kan kiezen uit twee pensioencontracten. Het eerste systeem is een ‘nominaal pensioen’. Daarbij moeten fondsen er alles aan doen om het opgebouwde pensioen uit te keren, maar dan niet gecorrigeerd voor inflatie. Die pensioenen kunnen dus elk jaar minder waard worden. De fondsen mogen de pensioenen wel aanpassen aan de inflatie, maar alleen als zij een flinke buffer hebben opgebouwd.

Kiest het pensioenfonds voor het tweede systeem, een ‘reëel pensioen’, dan stijgen de pensioenen wel mee met de inflatie. Elke ingelegde 100 euro is over veertig jaar dus nog steeds 100 euro euro waard. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de deelnemers meer risico accepteren. Deze pensioenfondsen nemen dan ook meer risico’s bij hun beleggingen, met als doel hogere rendementen te behalen. In het reële contract mogen financiële schokken worden gespreid over maximaal tien jaar. Zo hoeft er – bij tegenvallers – minder snel gekort te worden. Werknemers kunnen niet kiezen: het pensioenfonds maakt de keuze voor nominaal of reëel contract.

Wat zijn de gevolgen voor de premies?

Door de aanscherping van de regels gaat het kabinet ervan uit dat de premies ongeveer gelijk blijven, maar gecombineerd met de gevolgen van het zogeheten Witteveen-kader dalen ze. Volgens deze afspraak in het regeerakkoord wordt de fiscale aftrekbaarheid van pensioenen beperkt. Nu mag de pensioenpremie nog worden afgetrokken (en betaal je pas belasting over je pensioen op het moment dat het wordt uitgekeerd, de zogenaamde omkeerregel). In het regeerakkoord is afgesproken het maximum te verlagen, van 2,25 procent per jaar nu naar 1,75 procent in 2015.

Is de pensioensector het eens met de plannen van het kabinet?

Niet op alle punten. Het kabinet gaat er bijvoorbeeld van uit dat de premies dalen, maar de pensioensector heeft berekend dat de premies juist zullen stijgen op basis van de nieuwe regels. De Pensioenfederatie, de vertegenwoordiger van de pensioenfondsen, kraakt de voorstellen van Klijnsma. Onvoldoende uitgewerkt. Diplomatiek laat de federatie weten dat ze „dankbaar gebruik zal maken” van de mogelijkheid een „andere variant van het financieel toetsingskader” op te stellen. Het kabinet streeft ernaar de wet in 2015 in werking te laten treden.

Verandert er ook iets aan de basisuitkering, de AOW?

De Algemene Ouderdomswet (ingevoerd in 1957) is een basisinkomen waarvan de hoogte is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Iemand die getrouwd is of samenwoont krijgt 50 procent van het minimumloon (750 euro bruto per maand). Een alleenstaande krijgt 70 procent van het minimumloon (1.100 euro bruto per maand).

Iedereen die 65 jaar wordt, kan aanspraak maken op een AOW-uitkering. Vanaf 2013 gaat de AOW-leeftijd in stappen omhoog. Uiteindelijk zal die in 2023 op 67 jaar liggen. De AOW wordt gefinancierd via het omslagstelsel. Dat wil zeggen dat jaarlijks wordt bekeken hoeveel geld er in totaal nodig is voor de AOW – en dat wordt verdeeld over alle premiebetalers. Inmiddels komt ook een groot deel (ongeveer 40 procent) uit de algemene middelen, waardoor werkenden én gepensioneerden meebetalen aan de stijgende AOW-uitgaven.

Wat gebeurt er met mensen die zelfstandig ondernemer zijn en dus geen pensioen opbouwen via hun werkgever?

Die kunnen een pensioen opbouwen met hulp van individuele verzekeringen, bijvoorbeeld een lijfrentepolis. Met name zelfstandigen en werknemers in bedrijfstakken zonder pensioenregeling maken hier gebruik van. Staatssecretaris Klijnsma onderzoekt of er een aparte regeling moet komen voor zzp’ers.

Hoe hoog is mijn pensioen?

Tot voor kort was het gebruikelijk dat het pensioen ongeveer 70 procent bedroeg van het gemiddelde loon over de hele loopbaan (middelloonregeling) of van het laatstverdiende salaris (eindloonregeling). Die 70 procent is opgebouwd uit de AOW én aanvullend pensioen.

Maar in werkelijkheid is het te verwachten pensioeninkomen (AOW plus aanvullend pensioen) vaak lager. Veel mensen schatten het inkomen dat zij na hun pensionering krijgen te hoog in. Dat komt doordat ze zich er niet in hebben verdiept (te complex), het een onderwerp ‘voor later’ vinden en te weinig informatie kregen van hun pensioenfonds.

Via mijnpensioenoverzicht.nl is de hoogte van het pensioeninkomen eenvoudig te berekenen.

Meer informatie: pensioenkijker.nl: algemene informatie over pensioen en kortingen op pensioen.

mijnpensioenoverzicht.nl: hierop kan iedereen zien hoeveel pensioen is opgebouwd en bij welke pensioenuitvoerder (pensioenfonds of -verzekeraar), naast de AOW.