‘Vond je me agressief?’ ‘Een beetje wel’

Correctie
Door een fout van de redactie is vorige week in NRC Weekend een verkeerde versie van de eerste aflevering van Zomeravondgesprek verschenen. De weergave van de ontmoeting tussen Marion Pauw en Andries Korebrits bevatte daarom een aantal onjuistheden. De goede versie is hier te lezen.

Een zomeravondgesprek over het leven tussen thrillerschrijver Marion Pauw en forensisch psychiater Andries Korebrits. „Ik wil graag iets vertellen over mijn huisdieren. Mag dat?”

Door onze redacteuren Carola Houtekamer en Jannetje Koelewijn

Marion Pauw belt: haar trein is er tegen half zes, komen we haar van het station halen?
Andries Korebrits is een uur te vroeg. Hij moest uit Berlijn komen en had files verwacht. „Maar ik kon er zo omheen rijden.”
Hij is kinderpsychiater. Zij schrijft thrillers. Daarin komen nogal eens kinderen met een psychiatrische stoornis voor.
Het eerste uur mag Korebrits in zijn eentje vullen, in Villa Augustus in Dordrecht, op het terras van de kamer waar we straks zullen eten. Lukt hem moeiteloos. Bij een glas jus d’orange: „Ik kende Marion niet, maar nu heb ik Daglicht gelezen. Ik heb het ook bij me, voor als ze me er wat over vraagt. Dan kan ik het op het toilet nog even opzoeken.”
En: „Als dit Zomergasten was, zou ik het tweede strijkkwartet van Janácek laten horen. Hij schreef het toen hij 74 was. Weten jullie waarom?”
Dat weten we niet.
„Hij was verliefd geworden op een 40 jaar jongere vrouw. Hij had de dood al in de ogen gekeken en opeens werd hij weer heel creatief.”
Korebrits zegt ook: „Ik ben het forensische pur sang een beetje zat. Ik ga me meer richten op opvoeding en preventie. Mijn baan in Nijmegen heb ik opgezegd. Die hoogleraarstitel hoef ik niet meer. Het is mooi geweest.” Meent hij dat? „Dat meen ik. Ik was op mijn veertigste al hoogleraar. Toen dacht ik al: moet ik dit vijfentwintig jaar doen?”
Dan arriveert Marion Pauw, met een taxi. Paarse schoenen, strakke broek, lome tred. „Leuk om kennis te maken”, zegt ze terwijl ze Korebrits een hand geeft. „Het weer valt een beetje tegen, hè.”
Ze loopt door naar haar kamer. Ze wil zich nog verkleden. Ze is gisteren uit Aruba komen vliegen.
Na een half uur is ze terug: hoge hakken, korte jurk, bruine benen. „Zo”, zegt ze. „Zijn jullie al uitgepraat?” Tegen Korebrits: „Ik had nog nooit van je gehoord. Je naam ben ik vergeten, sorry.”
Korebrits: „Geeft niks.”
Pauw: „Je bent forensisch psychiater, toch? Werk je in een tbs-kliniek?”
Korebrits: „Dat niet.” Hij noemt op wat hij allemaal wel doet.
Pauw: „Oh, interessant.”
Korebrits: „Ik wil nu gaan onderzoeken welke kinderen ziek worden, wat daaraan voorafgaat.”
Pauw: „Ziek als in: geestesziek?”
Korebrits: „Ja. Ik ga een programma opzetten voor leraren: hoe kunnen zij getraind worden in het opsporen van signalen. Geen idee of het wat oplevert, hoor. Misschien wel niets.”
Pauw: „Of het verkeerde.”
Korebrits: „Het is minder sexy dan tbs-klanten in een MRI leggen en ze naar porno laten kijken, maar…”
Pauw: „Wat is het koud hier. Kunnen we niet naar binnen?”
De tafel is klein en staat naast een groot tweepersoonsbed. We drinken een glas witte wijn. De stemming zit er nog niet in.
Korebrits, tegen Marion: „Wel een beetje lastig voor je, om zo middenin het gesprek te vallen.”
Pauw: „Gaat wel hoor. Wat is je gedachte achter dat idee om leraren kennis over psychiatrische ziekten bij te brengen?”
Korebrits: „Ik denk dat er veel bij ze te halen is. Ze zien veel kinderen, uren per dag. Maar ze hebben vaak geen professioneel referentiekader en…” Hij valt zichzelf in de rede. „Ik zie je denken: okay, next subject.”
Pauw: „Nee, nee, hoor. Alleen: ik neem aan dat jij niet in een half jaar psychiater bent geworden, dus hoe ga je dat doen met die leraren? En wat ik nou wel eens wil weten: welk percentage van de kinderen is geestesziek? En is het aangeboren?”
Korebrits, op collegetoon: „Vier tot vijf procent van de kinderen heeft ADHD, dus dat zijn er gemiddeld een à twee per klas.”
Pauw: „Ook in Azië? In Afrika?”
Korebrits: „Psychiatrie is een conceptueel vak en daarmee bedoel ik dat psychiaters met elkaar hebben afgesproken wat ADHD is. De criteria kunnen worden aangepast, door psychiaters, maar ze gelden over de hele wereld. Dus ook in Azië en Afrika.”
Pauw: „En autisme? Hoe vaak komt dat voor?
Korebrits, nog steeds op collegetoon: „Daarvan loopt de prevalentie van vier op tienduizend tot één op tweehonderd. Dat is dus een lastige.”
Pauw: „Wat denk je zelf?”
Korebrits: „Ik heb tien jaar autisme-spreekuren gedraaid in het Academisch Ziekenhuis in Maastricht en ik ben heel voorzichtig met de diagnose. De criteria voor autisme zijn niet zo hard als men denkt. Bij het stellen van een diagnose is eigen observatie heel belangrijk.”
Pauw: „Dus als een moeder zegt dat haar kind de hele dag naar de wasmachine zit te kijken…”
Korebrits: „… dan is dat belangrijke informatie, maar ik noem het alleen autisme als ik het heel zeker weet.”
Pauw: „Hm, hm. Nou. Maar ik heb dus een zoon die zowel met autisme als met ADHD is gediagnosticeerd en ik zie zijn stoornis als een veiligheidsprobleem, niet als een contactstoornis. Ik zal je uitleggen hoe ik op die gedachte ben gekomen.”
Korebrits kijkt vermoeid.
Pauw: „We woonden op Aruba, maar na mijn scheiding heb ik hem meegenomen naar Nederland, en hij kreeg een andere juf en toen ging het helemaal mis. Hij is weer bij zijn vader op Aruba gaan wonen. Daar gaat het goed. Dus ik denk: in Nederland zijn zoveel regeltjes… Als ik mijn vuilnisbak twee uur te vroeg buiten zet, krijg ik al een boze buurvrouw op mijn dak…”
Korebrits, die in Aken woont en net een appartement in Berlijn heeft gekocht: „Ik adviseer je om niet naar Duitsland te verhuizen.”
Pauw: „Dus hoe meer mijn zoon in het systeem werd geperst, hoe slechter hij functioneerde. Hij deed zulke heftige dingen dat ik een tijd heb gedacht: hij kan niet thuis blijven wonen. En toen was hij pas zes. Twee jaar geleden, hij was twaalf, ging ik naar Panama om bij een indianenstam research te doen voor De Wilden. De kinderen gingen mee, en mijn zoon, mijn onaangepaste zoon die nooit schoenen aan wil, die ging daar meteen voetballen en vissen. Op een gegeven moment zit hij ergens boven in een hut… Ja, mam, ze zijn even mijn vis aan het roosteren. En hij spreekt geen woord Spaans, hè. Sindsdien denk ik: je kunt hem wel een autist noemen, maar hij zit gewoon in de verkeerde cultuur.”
Ze kijkt verwachtingsvol naar Korebrits.
Korebrits kijkt zwijgend terug en zucht diep. „Tja”, zegt hij. „Je kunt met hem naar Panama gaan of naar Mongolië, maar dat betekent niet dat hij zijn autisme kwijt is.”
Pauw: „Autisme is een mismatch.”
Korebrits: „Wij weten geen van beiden wat autisme is en het ligt allemaal veel genuanceerder dan jij denkt. Ik hoor veel van die verhalen, ook de verhalen hoe het slechter afloopt.”
Pauw: „Autisme is een vierkantje dat je door een rond gat probeert te duwen.”
Korebrits: „Zo is het met jou en mij ook. We moeten ons allemaal aanpassen.”
Pauw: „Maar ik geef gemakkelijker mee.”
Korebrits, scherp: „Wat psychiaters als autisme zien, is gebaseerd op langdurig onderzoek onder heel veel kinderen over de hele wereld…”
Pauw: „Vind je dat ik je aanval?”
Korebrits: „Een beetje wel.”
Pauw: „Zo bedoel ik het niet, hoor.”
Korebrits: „Het voelt voor mij een beetje als: ja ja, praat jij maar, ik weet wel beter, met mijn zoon.”
Pauw: „Nee hoor. Jij bent de expert.”
Korebrits: „Ja, ik ben de expert.”
Pauw: empathisch: „Word je vaak aangevallen?”
Korebrits: „Ja. Iedereen denkt te weten wat autisme is en jij hebt het over mismatch als etiologische verklaring voor…”
Pauw: „Sorry?”
Korebrits: „Jij zegt dat autisme ontstaat doordat iemand op de verkeerde plek is.”
Pauw knikt.
Korebrits: „En ik denk dat niet, want dan zou het veel gemakkelijker zijn om er iets aan te doen. Veiligheid is belangrijk voor kinderen met autisme en ADHD, maar dat zegt niets over de oorzaak van de stoornis. Als ik die zou kennen, zou ik morgen naar Stockholm kunnen afreizen.”
Het voorgerecht komt: borden vol geroosterde groente uit de moestuin van het hotel. Korebrits zegt tegen Pauw: „Ik heb Daglicht gelezen.”
Pauw, gevleid: „Echt waar? Wat leuk.”
Korebrits: „De hele kinderpsychiatrie komt voorbij, de antisociale persoonlijkheidsstoornissen, alles. Je zult wel uitvoerig research gedaan hebben.”
Pauw: „Ja.”
Korebrits: „Heb je discipline in de opvoeding van je kinderen?”
Pauw: „Nee. Ik heb niet eens de discipline om mijn hond op te voeden.”
Korebrits: „Dat brengt me op de broader phenotype.”
Pauw: „De wat?”
Korebrits: „In de families van kinderen met een stoornis wemelt het van de wonderlijke types. Je denkt steeds: hoe hangt dat allemaal met elkaar samen? Vaders die zeggen: ja, vroeger op school zat ik vastgebonden, anders was ik onhandelbaar. Vaders bij wie ik denk: het oogcontact is ook niet helemaal fris. En dan zegt hij: ik werk in de ict. En dat zijn dan nog de inkoppers.”
Pauw: „Zo is het toch heel vaak? Er is toch een erfelijke component?”
Korebrits: „En er is wederzijdse beïnvloeding, altijd. Mijn kinderen – hun vader is kinderpsychiater en hun moeder is jeugdarts. Hoe denk je dat dát is?”
Pauw: „Val je wel eens uit je rol?”
Korebrits: „Zo vaak. In gesprekken met ouders val ik ook wel eens uit mijn rol, maar dan doe ik het opzettelijk en beheerst. Vraag ik: hebben jullie nog wel eens seks?”
Pauw: „Waar dat kind bij is?”
Korebrits: „Nee, nee.”
Pauw: „Waarom vraag je het?”
Korebrits: „Omdat alles met alles samenhangt. Als ouders niet gelukkig zijn, voelen kinderen dat, ook autistische kinderen. Ik wil niemand veroordelen die gaat scheiden, maar een scheiding heeft altijd een enorme impact. En ik zie veel eenoudergezinnen. Vijfentachtig procent van de ouders die ik zie zijn alleenstaande moeders.”
Pauw: „Hm, hm. Mag ik even terugkomen op wat ik net over discipline zei? Dat was te boud. Mijn kinderen eten uit de schijf van vijf en ze gaan op tijd naar bed. In negen van de tien gevallen doe ik het goed met mijn zoon. Schatje, ik zie dat je gestrest bent, ga lekker even naar je kamer, wil je een kopje thee? De tiende keer roep ik: god-ver-dómme, doe normáál. Ik was jong moeder. Je wilt het perfect doen. Maar er is iets met je kind, dus je gaat nadenken. Komt het omdat ik te hard werkte? Is het omdat hij in een stuit lag? Dat hij begon te poepen toen hij half uit me was? Of is het omdat de oppas hem een keer ondersteboven heeft gehouden? Zit het in de familie?”
Korebrits knikt begripvol.
Wij vragen aan hem of het niet toch zo is dat de ene soort samenleving een stoornis meer tot uiting laat komen dan de andere soort.
Korebrits: „Ja, zeker bij ADHD. Onze samenleving… Toen ik klein was, had je twee televisiezenders en alles was veel eenvoudiger. Maar nu, met internet en Facebook… De sociale eisen die aan kinderen worden gesteld…”
Pauw: „Controleer jij wat je kinderen op internet doen?”
Korebrits: „Nee.”
Pauw: „Denk je dat ze wel eens naar porno hebben gekeken?”
Korebrits: „Ja.”
Pauw: „Wat vind je daarvan?”
Korebrits: „Niets. Mijn dochter is 14, ze heeft 800 Facebookvrienden en elk half uur een nieuwe profielpagina, maar ik controleer haar niet. Zolang er geen signalen zijn dat er iets mis is, doe ik niets. De signalen zijn: geen sociale contacten, slechte cijfers. Mijn dochter haalt goeie cijfers en ze speelt heel goed viool. En piano. Mijn zoon speelt cello en trombone.”
Pauw, vermoeid knikkend: „En ze zijn ook nog eens heel sociaal.”
Korebrits: „Ja.”
Pauw: „Het zijn droomkinderen.”
Korebrits: „Nou, mijn dochter is wel aan het puberen, hoor. Ze negeert me en de scheldwoorden die ze tegen me gebruikt…”
Pauw: „Wat zegt ze dan?”
Korebrits: „Dat is niet voor in de krant. Maar het glijdt zo van me af.”
Pauw: „Ze schreeuwt om een reactie.”
Korebrits: „Dus stapelt ze er nog wat bovenop. Ze gaat door en door.”
Pauw: „En jij blijft jezelf in de hand houden?”
Korebrits: „Negen keer wel. De tiende keer niet. Dan ben ik blij dat de buurvrouw negentig is en hardhorend, en dat we in een vrijstaand huis wonen. Ze probeert me echt te treffen.”
Pauw: „Hoe?”
Korebrits, met een meisjesstem: „Dan hou ik toch op met vioolspelen.”
Gelach.
Pauw: „Maar ze staat dus nog niet met een bijl bij de piano.”
Korebrits: „Ze saboteert wel. Dan is opeens het nieuwe boek met Walzer van Chopin dat veertig euro heeft gekost verdwenen.” Weer met een meisjesstem: „Nee, ik kan niet studeren, het boek is weg. Ook een heikel onderwerp: gewicht en uiterlijk.”
Pauw: „Ja! Dat heb ik ook gehad met mijn dochter. In het begin, toen ze echt dikker werd, zei ik wel: lieverd, niet én een Magnum én een hamburger én een bak frites. Ik heb nog eens drie weken koolhydraatvrij gekookt voor haar, maar dan at ze op school drie Snickers, dus daar ben ik mee opgehouden. Het gekke is: nu is het over. Ik dacht op een goed moment wel: ik heb het zelf wel erg vaak over mijn gewicht en mijn uiterlijk, laat ik daar maar eens mee ophouden.”
We drinken nog een glas wijn en dan doet Korebrits een bekentenis: hij zou ook wel een boek willen schrijven. Eigenlijk denkt hij daar al vijfentwintig jaar over. Hij is alleen bang dat hij er te weinig discipline voor heeft. En: „Hoeveel kun je van jezelf blootgeven zonder dat je in de problemen komt?”
Pauw, docerend: „Schrijven is ontgrenzen. Niet denken: dit gaat mijn moeder ook lezen, en de buurvrouw… Nee. Beginnen en doorgaan. In het schrijven ben ik zeer gedisciplineerd. Ik begin vroeg en ik ram er elke dag 1.000 tot 1.500 woorden uit.”
Korebrits: „Ik heb het al tijdens dit gesprek, dat ik er steeds aan denk dat het in de krant komt. Wat zal mijn therapeute ervan zeggen?”
Pauw: „Je therapeute?”
Korebrits: „Dat is normaal, hoor, voor een psychiater. Ik kan beter zeggen: mijn supervisor. Ik ga eens in de twee weken naar haar toe. Dit gesprek heb ik intensief voorbereid. Over bepaalde pijnlijke gebeurtenissen in mijn leven zal ik het hier niet hebben.”
Wij vragen of hij al weet waar zijn boek over zal gaan.
Korebrits: „Toen ik nog in opleiding was, werkte ik in het Pieter Baan Centrum, dat heette toen nog het Dr. F. S. Meijers Instituut. Een tbs-gestelde kwam daar in de regel geboeid op een brancard binnen met zes ME’ers om zich heen, en dan liep ik er achteraan om een gesprek te voeren.”
Pauw, met een lief stemmetje: „Hoe gaat het nou met je?”
Korebrits: „Niet dus. Ik las hun ziektegeschiedenissen en dacht: allemaal voer voor romans. Maar iedereen doet dat al. Het is passé. Ik wil iets met psychiatrie en de liefde doen.”
Pauw: „Waarom begin je niet met korte verhalen?”
Korebrits: „Wie leest die nou?”
Pauw: „Je moet oefenen. Jij denkt dat je zomaar een schrijver bent.”
Korebrits: „Goeie tip. Ik ga het wel onder pseudoniem doen.”
Pauw: „Waarom? Jij hebt moeite om jezelf bloot te geven, hè.”
Korebrits: „Dat valt wel mee.”
Pauw: „Vertel dan eens iets over die gebeurtenis waar je het niet over wilt hebben.”
Korebrits, weigerachtig: „Iets met de liefde natuurlijk.”
Het hoofdgerecht: lam voor Andries Korebrits, roodbaars voor Marion Pauw. We praten over de televisieserie In Therapie die Marion Pauw bewerkt en deels geschreven heeft en over de aantrekkingskracht van psychopaten: intelligent, sociaal en op onvoorspelbare momenten zeer gewelddadig. Andries Korebrits vertelt over een nieuwe instelling voor jongens met een jeugd-tbs bij wie geen enkele behandeling resultaat heeft gehad, een zogenaamde ITA [Individuele Traject Afdeling]. In de ITA worden ze, paradoxaal, met fluwelen handschoenen aangepakt. Je wilt een sigaret? Hier, jongen. De gedachte erachter: er moet eerst contact komen.
Pauw: „Is iedereen gebaat bij therapie?”
Korebrits: „Voor mensen die het kunnen en die zich ervoor openstellen is het altijd zinvol.”
Pauw: „Hm, hm. Ik zit ook in therapie, maar dat zul jij wel raar vinden, want het is een therapie waarin ik eerst een kwartier klaag over wat er allemaal zo erg is, en dan ga ik liggen en mijn therapeute doet dan een beetje reiki en ze lijnt mijn chakra’s uit, en na een uur voel ik me weer helemaal goed.”
Korebrits: „Maar dan is het toch ook goed? Je praat en reflecteert.”
Pauw: „Ben je verliefd op je therapeute?”
Korebrits: „Nee. En dat is ook niet nodig voor een zinvolle therapie.”
Pauw, pesterig: „Ik weet wel waarom jij je hier zit in te houden, want straks zitten al die alleenstaande moedertjes bij jou in de wachtkamer met de krant – ja, dokter, dat zegt u nou wel, maar hier lees ik…”
Gelach.
Wij zeggen tegen Marion Pauw dat er eerder een openhartig interview met haar in het Volkskrant Magazine heeft gestaan waarin ze over pijnlijke gebeurtenissen in haar leven vertelde: haar zoon, haar scheiding.
Pauw: „Voor mij is het anders dan voor Andries. Ik hoef geen patiënten te ontvangen”
Korebrits knikt.
Pauw: „Het was een goed interview, alleen jammer dat het met mij was. Het heeft de verkoopcijfers van mijn boeken wel goed gedaan. Ik dacht: ik zeg het gewoon allemaal. Mijn huwelijk met mijn tweeëntwintig jaar oudere man liep af doordat ik een relatie met een andere man kreeg. Ja, ik ben feilbaar. Wie niet? Het interview was bij mij in de tuin en toen de interviewster wegging, dacht ik: als de buren het maar niet gehoord hebben. De buren? Dat magazine wordt gelezen door miljoen mensen. De eerste dagen durfde ik mijn huis niet uit.”
Korebrits: „Zitten mensen te wachten op zoveel eerlijkheid?”
Pauw: „Ze vinden het een verademing.”
Vlak voor zonsondergang. De fotograaf neemt hen mee naar buiten en als ze weer terugkomen zijn ze in een andere stemming. Jolig.
Pauw: „Ik wil graag iets vertellen over mijn huisdieren. Mag dat?”
Wij zeggen: Andries heeft je over zijn geheim verteld.
Pauw, gespeeld verbaasd: „Nee hoor.”
Korebrits’ gezicht zegt ja.
Pauw, gespeeld streng: „Het lijkt mij het beste dat we doen alsof ik het niet weet.”
Korebrits heeft een foto van zijn dochter in zijn telefoon opgezocht en laat die aan Pauw zien.
Pauw: „Wat een beauty. En nog mooi vioolspelen ook.” Ze lacht. „Laat nog eens zien? Ah, een duckface. Dat kan niet meer als je ouder wordt. Dan krijg je rimpels op je bovenlip.”
Korebrits, vertederd: „Op iedere tweehonderd foto’s staat ze 199 keer met zo’n gezicht.”
Wij: wil je ons nu ook vertellen wat je geheim is?
Korebrits, afgemeten: „Ik denk dat er genoeg andere onderwerpen zijn.”
Pauw: „Ja! Huisdieren!”
Ze laat een foto zien van haar hondje, iets bruins en kleins met een mopsneus. „Hij heet Royal Desire Flaming Star, roepnaam Rooi. We hebben nog een hond en die heet Ruby. Die is van mijn zoon. Voor Rooi heb ik dus een ziekelijke adoratie. Ik zeg bijvoorbeeld nooit: zit! Ik zeg: ik zou het heel fijn vinden als je bereid zou zijn, lieve Rooi…”
Korebrits: „De ITA-aanpak.”
Pauw: „Ja. Die werkt trouwens ook heel goed voor mijn zoon. Maar Andries, vertel nou eens wat over jouw therapie.”
Korebrits: „Ik zit tegenover haar en ik vertel over de dingen die me bezighouden… Wat ik hier ook graag zou doen… Ik betaal het zelf. Therapie moet pijn doen, zei mijn psychoanalytische opleider altijd. Het duurt soms wel drie uur en daarna ben ik kapot. Ik denk wel vaak: arme vrouw, drie uur naar mij luisteren.”
Er komt citroencake met een bolletje citroenijs, van citroenen uit de oranjerie. We drinken muntthee. Alleen Andries Korebrits neemt een dubbele espresso. Hij begint tegen Marion Pauw over het succes van Daglicht, en hoe dat voor haar is. Ze moppert over mensen die dan opeens raar tegen je gaan doen, maar ze kapt zichzelf snel af. „Wat zit ik nou te zeuren… Ik ben er hartstikke blij mee. Ik kan ervan leven. Hartstikke leuk als mensen me mailen: mooi boek.”
Korebrits: „Vind jij jezelf goed?”
Pauw, aarzelend: „Ja, eigenlijk wel. Mijn eerste twee boeken vind ik niet meer goed, maar Daglicht– daar sta ik helemaal achter.”
Korebrits: „Hm, hm. Nou, ik vond het prettig om te lezen, maar ik dacht wel: zit er een doel achter? Wat zie ik van Marion? Om dat te kunnen beoordelen zou ik meer van je willen lezen.”
Pauw, gevleid, maar op haar hoede: „Leuk.”
Korebrits: „Het las ontzettend lekker.”
Pauw, nog steeds op haar hoede: „Leuk.”
Korebrits: „Toch stond het me niet zo aan. Ik heb een aantal favoriete thrillerschrijvers…” Hij noemt een paar bekende Engelse namen.
Pauw: „O ja, van die testosteronthrillers, over mannen die drie dagen in een kelder liggen vastgebonden en als ze er dan weer uit zijn kunnen de vrouwen niet wachten om op ze te springen. Kom op zeg, ik ruik je oksels.” Lief: „Je moet zeggen dat je mijn boek briljant vond. Dan gaan meer mensen het lezen.”
Korebrits: „Ik vond je boek…”
Pauw: „… briljant!”
Korebrits: „Ik zou meer Marion in je boeken willen zien. We hadden het net op de steiger over jezelf ontmantelen… Ik zou mezelf…”
Pauw: „Nu moet ik je toch echt tegen jezelf in bescherming nemen.”
Korebrits: „Ja, maar…”
Pauw: „Als je doorgaat, geef ik je een schop onder tafel.”
Korebrits, opeens op een andere toon: „Van mij mag dit gesprek wel wat existentiëler worden. Ik dacht dat we het over leven en dood zouden hebben. Dat hadden jullie beloofd.”
Wij: kom maar.
Korebrits: „Ik heb er lang van gedroomd om theoretisch natuurkundige te worden. Maar ik was bang om erachter te komen dat het op metafysisch niveau allemaal geen zin heeft. Dat er geen straks is, alleen een nu.”
Pauw: „Je bent toch atheïst?”
Korebrits: „Ik ben best bang voor de eindigheid van het bestaan. Ik ben nu 49, het einde begint verdomd dichtbij te komen. Ben jij gelovig?”
Pauw: „Ik geloof in de supermarkt. Je kijkt om je heen en je neemt wat je gebruiken kunt. Zo maak ik mijn eigen religie met eigen rituelen. Als ze mijn naam goed spellen bij de Starbucks, mag ik een wens doen.”
Korebrits: „Wat voor wensen?”
Pauw: „Heel kleine wensjes, hoor.”
Korebrits: „Waar leidt het toe?”
Pauw: „Dat je je veilig voelt. Ik schrijf ook brieven naar de volle maan. Als een vriendin geopereerd wordt, brand ik een kaarsje. Whatever gets you through the night.”
Korebrits: „Je doet het dus voor jezelf.”
Pauw: „Ja.”
Korebrits: „Je hoeft je niet te verantwoorden hoor, maar het gaat dus over het hier en nu en de bevrediging voor jouzelf op dit moment.”
Pauw: „Ja. Wat ik ook leuk vind: als ik dronken ben, denk ik dat ik telepathisch kan communiceren met mijn hondje.”
Korebrits: „Heb je dat altijd als je dronken bent? Op dezelfde manier?”
Pauw: „Altijd.”
Korebrits: „Over dit soort dingen praten we met patiënten als ze hun pillen niet nemen. We noemen het wel een waan.”
Pauw: „En ik noem het leuk. Misschien moet je wel je eigen micro-geloofje maken om gelukkig te zijn.”
Korebrits: „Ik luister graag naar kamermuziek van tussen 1900 en 1930. Ik ben zoek naar iets dat me zal helpen als mijn einde nadert.”
Pauw: „Daar heb je toch Seresta voor.”
De volgende ochtend om half negen zien we elkaar aan de ontbijttafel. Korebrits, die al bang was dat hij niet zou kunnen slapen, is om vijf uur opgestaan. Hij heeft de hele tuin gezien. Hij bestelt een pannenkoek. Pauw eet sla en ananas, en daarna een stuk van Korebrits’ pannenkoek. Thuis maakt ze smoothies met spinazie. Ze slikt „een hele batterij” voedingssupplementen.
Dan begint er een laatste rondje wederzijdse freestyle psychoanalyse.
Korebrits vraagt aan Pauw: „Heb je wel eens een psychose meegemaakt?”
Pauw: „Nee, hoezo? Vind je me daar het type voor?”
Korebrits: „Nou, het zou me niet verbazen, met je ideeën over het geloof als supermarkt, je hondje, de brieven die je verbrandt, de vitamines. Je bent erg beïnvloedbaar. En al die zelfhulpboeken die je leest. Waarom ben je niet tevreden met wie je bent? Je bent mooi, succesvol, mensen hangen aan je lippen.”
Pauw: „Nog even en ik ga huilen.”
Korebrits: „Waarom streef je naar een Marion 14.0?”
Pauw weet niet zo snel een antwoord. Daarna zegt ze tegen hem: „Ik denk dat jij in het keurslijf van je succes zit, Andries. Droomkinderen, klassieke muziek, hoge positie, autoriteit, enorme kennis.… Iets in jou wil daaruit ontsnappen.”
Korebrits glimlacht, licht spottend. „Daarom zou ik willen schrijven. Maar ik ben er ook bang voor. Bang om te verzanden in drugs, alcohol en slapeloosheid, om mezelf bloot te geven. En ik zou bang zijn dat ik niet authentiek ben. Dat ik zou gaan schrijven als Coetzee.”
Pauw: „Mocht je willen.”
Gelach.
Pauw: „Misschien moet je een motorfiets nemen.”
Korebrits: „Of een Porsche.”
Bij het afscheid, om elf uur, omhelzen ze elkaar